A Tekstgrootte verkleinen. A Tekstgrootte herstellen. A Tekstgrootte vergroten.

Gekaapt 6

G

14

Toen Sylvia Doorenbos werd binnengebracht, stond Aboe Hassan op uit zijn zetel en begroette haar hartelijk:
‘Goedenavond, miss Doorenbos! Hoe gaat het?’
Sylvia knikte hem toe met een geforceerde glimlach.
‘Komt u verder.’
Terwijl haar twee bewakers bij de toegangsdeur bleven staan, stapte Sylvia de grote ruimte van de brug in en liep naar de man die haar met uitgestoken hand stond op te wachten bij de kaartentafel. Ze schudde zijn hand, en zette daarna haar schoudertas op de tafel. Aboe Hassan bood haar een stoel aan. Ze ging zitten.
De kolonel, die bleef staan, bekeek haar met een glimlach.
‘Ik mag u wel feliciteren,’ zei hij, ‘want het stuk dat u over mij gaat schrijven, zal ongetwijfeld over de hele wereld gepubliceerd, en met belangstelling gelezen worden. Daar ga ik voor zorgen. U heeft een laptop, neem ik aan?’
Sylvia knikte en wees op haar tas.
‘Mijn excuses voor het feit dat wij de internetverbinding hebben verbroken, maar u zult wel begrepen hebben waarom.’
‘Natuurlijk,’ zei ze, en toen, na een lichte aarzeling: ‘Kolonel, mag ik u iets vragen?’
‘Ga uw gang.’
‘Ik maak me zorgen over een vriend van mij, die sinds vanmiddag door uw mannen is meegenomen. Leeft hij nog?’
Aboe Hassan fronste zijn wenkbrauwen.
‘Wie bedoelt u?’
‘Ik bedoel mister McDonnell.’
‘Ah! Mister McDonnell! Wat weet u eigenlijk van hem?’
‘Bijna niets, we kennen elkaar pas een paar dagen, omdat we aan dezelfde tafel eten.
Maar sinds de schietpartij vanmiddag, in onze gang, maak ik me erg ongerust.’
‘Terecht, mevrouw Doorenbos! Terecht. Hij dacht onze regels te kunnen overtreden. Dat is erg dom. Maar we hebben geen tijd te verliezen. Wij moeten aan het werk.’
Zijn stem klonk geïrriteerd bij die laatste woorden. Toch probeerde Sylvia nog iets uit hem los te krijgen.
‘Neemt u me niet kwalijk, kolonel,’ zei ze, ‘maar ik zou me een stuk beter kunnen concentreren wanneer u me gerust kon stellen wat mr. McDonnell betreft.’
‘Hij is onze gevangene,’ zei Aboe Hassan afgemeten, ‘en wie onze regels overtreedt, zal zijn straf niet ontlopen.’
Hoewel dat niet heel geruststellend klonk, meende Sylvia te begrijpen dat hij in elk geval niet dood was. Ze besloot niet verder aan te dringen.
Ze knikte.
‘Pak uw laptop. Ik zal u een paar instructies geven voor het schrijven van de tekst.’
Ze haalde de laptop uit haar tas en een klein opname-apparaatje.
‘Ik ben gewend mijn interviews hiermee op te nemen.’
Aboe Hassan pakte het apparaatje op en bekeek het nieuwsgierig. Digital voicerecorder stond erop.
‘Straks,’ zei hij. ‘Eerst leg ik u uit hoe ik wil dat het artikel eruit ziet. Noteert u dat.’
Toen de laptop gereed was, begon hij, heen en weer lopend voor de kaartentafel, zijn instructies te geven:
‘U begint met een beschrijving van de situatie aan boord: u legt de nadruk op de correctheid waarmee alle passagiers door de kapers behandeld worden, op de rust die aan boord heerst, de strakke organisatie van de dagelijkse maaltijden, en dat alle passagiers in de beslotenheid van hun hutten met rust gelaten worden.
Vervolgens beschrijft u hoe de Leider van deze gedisciplineerde actie u uitnodigde hem te interviewen.’
Hij pauzeerde even.
‘Heeft u dat?’
Sylvia had het in een paar steekwoorden opgetikt: ‘ Situatie aan boord. Correcte behandeling. Uitnodiging tot interv.’
‘Een ogenblik, kolonel,’ zei ze. ‘Wij spreken Engels met elkaar, en dat gaat prima. Maar ik ben een Nederlandse. Engels is niet mijn moedertaal en ook niet de uwe. Om er een correcte Engelse tekst van te maken hebben we misschien toch de hulp van een Engelssprekend iemand nodig.’
Hier had hij blijkbaar nog niet over nagedacht. Hij bleef staan, trok zijn wenkbrauwen op, maar schudde na een paar seconden zijn hoofd.
‘Geen probleem. Ik redigeer de tekst zelf.’
‘Zoals u wilt.’
‘U beschrijft mij als volgt,’ zei hij, en ging verder op dicteersnelheid: ’ “Kolonel Aboe Hassan Bin Alhyia….. is een verrassend vriendelijke man,……. die mij ontspannen te woord staat……. Hij zou door kunnen gaan voor de kapitein van het schip,……. maar zijn verantwoordelijkheid…… zo maakt hij mij snel duidelijk…. reikt veel hoger, punt…. Zij betreft de bevrijding…… van de Arabische wereld…..’
Sylvia had zijn woorden braaf uitgetikt, maar nu veroorloofde ze zich toch, met een glimlach, de opmerking dat dit geen interview was.
Aboe Hassan keek haar verstoord aan.
‘Wat is het dan?’
‘Een dictaat.’
‘Natuurlijk! Wat dacht u dan? Maar het zal verschijnen als een interview. Mooier nog: als het interview van een vrouw die, met gevaar voor eigen leven, is doorgedrongen in de ziel van een Arabische Vrijheidsstrijder. Voor het eerst in de geschiedenis zullen de westerse lezers iets anders te lezen krijgen dan gruwelverhalen over de wreedheid van bloeddorstige terroristen. Ze zullen getuige zijn van een meeslepende liefdesgeschiedenis, die zich voltrekt in het hart van de actie, met de dood voor ogen!’
Sylvia zag de schittering in zijn ogen toen ze van haar scherm opkeek en zijn blik opving. Hij heeft al een heel scenario uitgedacht, besefte ze, hij is gek, een levensgevaarlijke gek.
Aboe Hassan bleef haar aankijken en begon te lachen. Opnieuw verscheen het roofdiergebit onder zijn snor.
‘U schrikt, mevrouw Doorenbos? Maar dat is helemaal niet nodig! Waar waren we gebleven?’
‘”Zij betreft de bevrijding van de Arabische wereld” , las Sylvia van haar scherm op.
‘O ja. Die zin was nog niet af. We gaan verder na ‘de Arabische wereld’: “…van het juk van vreemde overheersers, punt…. Hij spreekt kalm…. maar met grote overtuigingskracht, punt…. Ik bewonder de soevereine rust….. die hij uitstraalt….. temidden van de dodelijke dreiging….. die uitgaat van de Amerikaanse….. oorlogsschepen rondom…..”’
Hij is bezig zijn eigen heldenmythe te scheppen, dacht Sylvia, en ondanks alles kon ze, al tikkend, een glimlach niet onderdrukken.
Hij stelt mij op mijn gemak…. en zegt dat ik hem …. alles vragen mag…. wat ik wil, punt…. Ik vat moed en vraag hem…. waarom hij de levens van zovele….. vreedzame toeristen bedreigt, punt…… Aanhalingstekens openen: dat ziet u verkeerd, mevrouw Doorenbos….. zegt hij met een charmante….. glimlach, punt….. Wij hebben slechts het commando….. op dit schip overgenomen….. om onze vijanden te dwingen….. eindelijk gehoor te geven…… aan de roep om vrijheid….. van de Arabische volkeren, punt.’
Terwijl Aboe Hassan, heen en weer stappend door de ruimte, voortging met dicteren, betrapte Sylvia zich erop dat ze zowaar plezier kreeg in haar rol van secretaresse. De manier waarop hij haar interviewersrol invulde en zichzelf beschreef, amuseerde haar meer dan ze zichzelf wilde toegeven.

Meer dan een uur ging Aboe Hassan door met dicteren. Gaandeweg veranderde het ‘interview’ in een verhaal, waarin hij zichzelf tekende als een hoffelijke, openhartige, maar vastberaden man, die vertelde hoe hij na een armoedige jeugd en een eindeloze reeks vernederingen en martelingen besloten had de wapens op te nemen in strijd tegen het Kwaad. De interviewster in dat verhaal laat niet na te vermelden hoe ‘zijn stem trilt van oprechte verontwaardiging’ als zij het woord terrorisme laat vallen. En als hij haar ten slotte overtuigd heeft van zijn nobele bedoelingen, laat hij haar schrijven: ‘De kolonel kijkt me aan met een blik waarin ik niet alleen de doorstane pijn, maar ook de onoverwinnelijkheid van zijn Arabische ziel lees. Het is de blik van een held. Een blik die geen vrouw kan weerstaan.’
Na die laatste woorden draaide Aboe Hassan zich om naar Sylvia, wachtte tot ze klaar was, en zei toen met een tevreden grijns:
‘Zo. Dat was het. Een mooi interview, vindt u niet?’
Sylvia, die pijn in haar schouders had van het onafgebroken tikken, rechtte haar rug. Met de laatste woorden nog naklinkend in haar hoofd, kon ze een schampere lach nauwelijks onderdrukken.
‘Een fraai stukje fictie, kolonel,’ zei ze glimlachend.
De grijns verdween van zijn gezicht.
‘O ja? Denkt u dat ik iets verzonnen heb?’
‘Mijn rol toch, in ieder geval…’
‘Maar u bent hier toch? Dat is toch geen fictie! En u hebt het toch zelf genoteerd?’
Opnieuw liet hij zijn gebit schitteren en lachte luid. Meteen daarna verstrakte zijn besnorde gezicht weer.
‘Dat is trouwens van geen enkel belang! Het gaat om de geïnterviewde, nietwaar?’
‘Maar mijn naam staat er straks onder,’ protesteerde Sylvia, ’terwijl er geen woord van mij in staat.’
‘Daar vergist u zich in. U moet nog een inleidend stukje schrijven, over de situatie aan boord, en over mijn invitatie voor het interview, weet u nog?’
Sylvia zuchtte.
‘Doet u dat nu meteen maar. Dan kunnen we straks het resultaat nog een keer doornemen.’

15

Olaf Sörensen, die pas een maand geleden gepromoveerd was met een proefschrift over de ‘narratologische kenmerken van het traditionele godsbegrip’, probeerde na het avondeten opnieuw een boek te lezen. Maar hoewel Brenda hem nu met rust liet – zij
zat een spelletje patience te spelen – lukte het hem weer niet zijn aandacht erbij te houden. Zijn gedachten dwaalden af naar zijn ouders, die zich nu wel dodelijk ongerust moesten maken over zijn lot, en stelde zich voor hoe ze de hele dag het nieuws zouden volgen, zenuwachtig schakelend tussen alle zenders, en de rederij zouden bellen om informatie. Hij vreesde vooral voor zijn vader, die een hartpatient was. En intussen zaten Brenda en hij hier, midden in het verhaal dat de wereld in zijn greep hield, en konden niets doen. En ze wisten nog minder dan iedereen in de buitenwereld….
Hoe vreemd was het niet dat je deel kon uitmaken van een drama dat elk moment kon ontaarden in een bloedbad, en intussen gedoemd was een spelletje patience te spelen! Of een boek te lezen waarvan geen letter tot je doordrong…
Olaf sloeg zijn boek dicht en stond op van het bed. Uit een van de laden onder de ingebouwde hangkast haalde hij een schrijfblok tevoorschijn. Hij ging aan de tafel zitten, tegenover Brenda, en begon te schrijven.
Beste Lars,
Heb je je wel eens voorgesteld dat je leven een verhaal is dat door een Onbekende geschreven wordt? Zo, ongeveer, voel ik me nu: als een personage dat opgesloten zit in het verhaal van een ander. Letterlijk, want Brenda en ik zitten ook opgesloten in onze hut aan boord van de “Arabian Nights”, die sinds drie dagen gekaapt is. Het kan niet anders of dat is intussen wereldnieuws, maar wij weten niets van wat er gaande is. Twee keer per dag mogen we er even uit om te eten, maar de paar mensen die we dan kunnen spreken weten even weinig als wij. Bij elke stap die we buiten onze hut zetten, worden we bewaakt door types met automatische geweren. Gistermiddag is iemand die de gang op durfde te gaan neergeschoten. Dood, waarschijnlijk.
Brenda speelt patience. Lezen lukt me niet. Daarom schrijf ik je. Ik moet een manier vinden om mezelf bezig te houden, misschien is dit de manier. Als ik opgesloten zit in het verhaal van een ander – het verhaal van een terrorist die god-weet-wat van plan is – dan zie ik maar één mogelijkheid om te ‘ontsnappen’: zelf een verhaal schrijven. En toen ik dat bedacht, moest ik aan jou denken.
Weet je nog dat wij dat gesprek voerden over ‘transcendentie’? Jij beweerde dat alles wat wij theologen ‘transcendent’ noemen niets anders was dan de ruimte van de verbeelding, en dat het vertellen van een verhaal in feite neerkwam op het creëren van een transcendente ruimte. Zo was het toch? Zo waren volgens jou toch ook de goden ontstaan: als menselijke projecties in een onzichtbare ruimte, de ruimte van de verbeelding, waarin je de grenzen van je eigen fysieke bestaan in tijd en ruimte kon overschrijden?
Ik zou willen dat ik dat kon – nu. Dat ik een verhaal kon verzinnen waarin ik zou kunnen geloven. Want daar heb ik nu meer dan ooit behoefte aan: iets waarin ik zou kunnen geloven… Hoe doe je dat?
Dat lijkt misschien een vreemde vraag voor een theoloog. Maar de schijn bedriegt: niemand begrijpt minder van het geloof dan een theoloog, denk ik soms. Wij leren alleen maar nadenken over abstracte problemen, wij kleden het geloof uit tot op het naakte…. Het naakte Niets. Wat een armoe! Nu pas begin ik te begrijpen wat je indertijd bedoelde met dat ‘transcenderen’: een verhaal, je kunt pas geloven als er een verhaal is om in te geloven… Maar waar haal ik zo’n verhaal vandaan?’

16

‘We moeten iets doen, Huub!’ zei Tineke. ‘We gaan toch niet zitten afwachten tot we als willoze schapen de een na de ander worden afgeknald!’
Huub Swart haalde zijn schouders op en streek door zijn grijze haren.
‘Tegen kalashnikovs valt weinig te doen…’
‘Ach, schei toch uit! Laat je hersens eens werken! Verzin iets, in plaats van je altijd maar achter bezwaren te verschuilen!’
Huub kende het daadkrachtige, ongeduldige karakter van zijn vrouw. Ze kon nu eenmaal niet stilzitten, en in een situatie als deze, waarin ze geen kant op kon, moest dat wel leiden tot hoog oplopende irritatie. Het was zenuwslopend. Hij had al zijn tact en geduld nodig om haar te kalmeren, en hij wist niet hoe lang dat nog vol zou kunnen houden. Vroeg of laat zou er een moment aanbreken, vreesde hij, dat hij zijn zelfbeheersing zou verliezen en haar een flinke klap zou verkopen.
‘Je lijkt Heer Bommel wel,’ zei hij. ‘Tom Poes, verzin een list! ‘
‘Hou je grapjes maar voor je!’ bitste Tineke. ‘Als er iemand op heer Bommel lijkt, dan ben jij het!’
Huub grinnikte. Daar zat wat in, vond hij. In elk geval had zij meer van Tom Poes dan hijzelf. Heel even dacht hij dat de spanning gebroken was.
‘Parbleu!’ zei hij.
Maar Tineke was niet in de stemming voor grapjes.
‘Hou je mond in godsnaam, als je niks verstandigs weet te zeggen !’
Hij zuchtte en hield zijn mond.
‘Een hongerstaking! We zouden in hongerstaking kunnen gaan…’
Huub reageerde niet.
‘Nou? Zeg eens iets!’
‘Om wat te eisen?’
‘Een gesprek met die kolonel! Dat we weten wat er met Scott is gebeurd, en met die Rus…’
‘Denk nou eens na, Tien. Zo’n hongerstaking zou ze alleen maar goed uitkomen! Dan kunnen we de hele dag opgesloten blijven! Scheelt ze een hoop gedoe!’
‘Hè gatver! Jij ook altijd… Verzin dan zelf iets!’
‘Denk jij,’ zei Huub, in een poging haar af te leiden, ‘dat Scott iets met Sylvia had?’
‘Wie weet. Ze was in elk geval behoorlijk overstuur, het arme kind.’
‘Misschien kenden ze elkaar al langer. Zo’n cruise is waarschijnlijk een groot dating-festijn voor singles…’ opperde Huub.
‘Ik geloof niet dat ze elkaar al kenden,’ zei Tineke. ‘Als dat zo was, had ik het zeker gemerkt. Nee. En ik geloof ook niet dat Scott op de versiertoer was.’
‘Maar wat deed ie dan in haar hut?’
‘Weet ik veel! Dat gaat ons trouwens helemaal niks aan. Hij was hoe dan ook de enige die iets durfde te doen!’
‘Ja. En wie weet wat voor prijs hij daarvoor heeft betaald…’
Tineke zweeg. Ze had een grote sympathie opgevat voor de Brit en de gedachte dat hij misschien wel dood was, of zwaar gewond, was onverdraaglijk.
‘Misschien dat Sylvia iets over hem te weten komt, vanavond,’ zei Huub. ‘Wat voor indruk heb jij van haar?’
‘Een carrièrevrouw,’ zei Tineke, ‘ze lijkt me wel slim, iemand die precies weet wat ze wil. Maar of ze tegen deze omstandigheden is opgewassen….’
‘Wat zou jij doen als je nu in haar schoenen stond?’
‘God, dat weet ik niet, hoor. Ik ken die vent toch niet…. Waarschijnlijk zou ik proberen hem op zijn gemoed te werken.’
Huub zag het voor zich; hij kon een glimlach niet onderdrukken.
‘Ja, en je zou binnen de kortste keren heel boos op hem worden, denk ik.’
‘Dat zit er dik in, ja!’ gaf ze toe met een zucht. ‘Ik zou me waarschijnlijk niet kunnen beheersen…’
Dat antwoord vertederde Huub.
Hij boog zich over haar heen en kuste haar.

Over de auteur

Piet Meeuse