Een boek als een opera

E

Over Moby Dick

Klassieke meesterwerken hebben vaak één gebrek: ze kunnen je niet meer verrassen. Ze zijn al zo beroemd dat ze soms niet eens tegen hun eigen reputatie zijn opgewassen. En al blijkt die reputatie nog zo terecht, het opwindende gevoel van een ontdekking heb je bij die opgepoetste monumenten toch zelden. Mij althans is het maar een paar keer overkomen: bijvoorbeeld met Don Quichot, en een jaar of wat later bij het lezen van Melville’s meesterwerk Moby Dick (toevallig allebei vertaald door Barber van de Pol, en dat mag een gelukkig toeval heten, want ook haar nieuwe Moby Dick-vertaling klinkt als een klok).

Moby Dick is een wonderbaarlijk boek. Het spot met alle regels van de romankunst, maar er is een verteller aan het woord die je niet loslaat. Ondanks alle hoofdstukken – en dat zijn er niet weinig – waarin hij met een encyclopedische uitvoerigheid uitweidt over de walvis en de walvisvaart in het algemeen. Dat lukt hem alleen maar doordat hij je van het begin af aan overtuigt van het bijzondere van de geschiedenis die hij te vertellen heeft. Hoezeer hij ook steeds afdwaalt en uitweidt, je leest door omdat je wilt weten hoe het de Pequod met zijn wonderlijke bemanning zal vergaan.

Alleen al de manier waarop Melville een paar belangrijke personages introduceert is meesterlijk. En dan heb ik het niet over die beroemde eerste zin, waarmee de verteller zichzelf voorstelt: Call me Ismael. Nee, ik bedoel de manier waarop hij je nieuwsgierig weet te maken naar een personage voordat hij het op laat treden. Zo hoort Ismaël in de Spouter Inn eerst een aantal verontrustende bijzonderheden over de harpoenier waarmee hij het bed zal moeten delen. Naarmate de avond vordert zonder dat die vent opdaagt, begint hij zich steeds meer zorgen over hem te maken. En als hij dan eindelijk verschijnt, is de kennismaking met Queequeg, de kannibaal, meteen ook een hoogtepunt, dat een paar schitterende en ontroerende hoofdstukken oplevert. Daarna doet Melville hetzelfde met kapitein Achab, die zijn schaduw ook ver vooruit werpt voordat hij eindelijk – dan zijn we toch al op pagina 146 – in levenden lijve aan dek verschijnt.

Zo bouwt hij zijn hele geschiedenis op: heel gedoseerd werpt hij de lezer steeds een brokje toe, waardoor je de smaak steeds meer te pakken krijgt. Maar je moet geduld hebben: je snakt naar de geschiedenis van de jacht op de witte walvis, maar o wat duurt het lang voor je die te horen krijgt! Het monster Moby Dick is, zoniet de eigenlijke hoofdpersoon, dan toch de belofte van een titel die moet worden ingelost. En als je al nieuwsgierig was naar de man met wie Ismaël zijn bed moest delen, en nog nieuwsgieriger naar Achab, die nog veel langer op zich liet wachten, hoeveel geduld moet je dan niet oefenen voordat diens gezworen vijand, de verschrikkelijke Leviathan in zicht komt!

Toch verveel je je geen seconde: de ene na de andere veelbelovende scène sleept je mee en verhoogt je verwachtingen. Je leert de bemanning kennen: Starbuck, Stubb, Flask en Pip – en de andere exotische harpoeniers, Tashtego en Daggoo. Je proeft het zilte schuim, en maakt verschillende hachelijke jachten mee, je ruikt de stinkende walm van de traankokerij, en wordt intussen nauwkeurig ingelicht over alle ins en outs van de walvisvaart. Maar wanneer zal Moby Dick eindelijk in zicht komen?

Melville bewaart hem voor de laatste hoofdstukken. Maar Moby Dick is zelf een boek als een walvis: reusachtig en groots. Het venijn zit in de majesteitelijke staart, die al het hele boek als een dreigende schaduw boven je hangt. En het skelet, waaraan ook een paar hoofdstukken gewijd zijn, wordt in dit walvisboek gevormd door de lange reeks encyclopedische verhandelingen, die als ribben tussen het vlees zitten. Maar zoals de verteller zelf ook benadrukt: de omvang van de levende walvis is veel groter dan zijn skelet doet vermoeden. En het levende beest – dat is het verhaal van de reis van de Pequod, en de wraak van kapitein Achab.

Moby Dick is ook een mooi voorbeeld van de ondergeschiktheid van de techniek aan de inspiratie. De gedrevenheid en het talent van de verteller geven altijd de doorslag. Het zijn juist de meesterwerken van de literatuur die bewijzen dat grote schrijvers zich ongestraft slordigheden kunnen permitteren die zich in minder werk onherroepelijk zouden wreken. Want net als in Don Quichot is het ook in Moby Dick niet zo moeilijk om inconsequenties en onmogelijkheden in het vertelperspectief aan te wijzen: Ismaël, de verteller, beschrijft meermalen scènes die hij niet meegemaakt kan hebben. (Bijvoorbeeld de maaltijden van de officieren en de harpoeniers in de kapiteinshut, of het bezoek van Achab aan de Engelse walvisvaarder. Ismaël maakt immers deel uit van de sloepbemanning van Starbuck, die bij deze gelegenheden niet meevoer.) Maar wat geeft het? Niks, want die scènes zijn prachtig. Ismaël, de eenvoudige matroos, blijkt eigenlijk een alwetende verteller met een rijk arsenaal aan kunstgrepen en retorische vormen.

Ook dat maakt het boek zo’n genot om te lezen: Melville bedient zich van een grote variatie aan vormen: preken, monologen, toneelscènes, lyrische ontboezemingen, citaten, verhandelingen, actiescènes, komische dialogen – het is een rijk amalgaam van literaire vormen die elkaar voortdurend afwisselen. Zo bevat het grote verhaal vele kleine pareltjes: ik noem het verhaal van de muiterij van Steelkilt; en de komische scène van de zwarte kok, die (door Stubb gedwongen) een zedepreek houdt tegen de haaien omdat ze teveel herrie maken rond het lijk van de walvis; of het verhaal van de ‘Jerobeam’ die de godsdienstwaanzinnige profeet Gabriel aan boord heeft; of de ijzingwekkende episode van het ongeluk van Tashtego, die uitglijdt en in de walviskop verdwijnt, en op het nippertje gered wordt door Queequeg.

Het is maar een willekeurige greep. Er zijn tientallen van die episodes, en het is deze barokke, onstuimige rijkdom qua vorm en inhoud die het boek wat mij betreft boven zoveel andere meesterwerken uit tilt, temeer omdat ze doorschoten is met humor. Af en toe richt de verteller zich ook rechtstreeks tot de lezer en dolt een beetje met hem, om daarna weer een ernstige, sombere toon aan te slaan.  Moby Dick is, kortom, wat ik een ‘een sterk verhaal’ noem. Het roept een onvergetelijk beeld op van de walvisvaart, en van kapitein Achabs gedoemde jacht, maar het is ook sterk in de zin van ‘ongelofelijk’. Melville houdt van retorische overdrijving, en in dit boek hoort dat bij zijn toon: die van de stoere zeeman die sterke verhalen vertelt.

De vele korte intermezzo’s met dialoogjes of monologen geven het boek bovendien iets heel theatraals (ik denk aan het merkwaardige hoofdstuk ‘De Dubloen’, het aan de mast gespijkerde goudstuk waar de bemanning omheen sluipt, terwijl ze een voor een proberen de betekenis van de afbeelding erop te doorgronden; of aan de waanzinnige dialoog tussen Pip en Achab, die elkaar vinden in een ontroerend verbond). Soms denk je: nu drijft hij het te ver, nu wordt het sentimenteel, of drakerig, maar het blijft boeien.

Als goede schrijvers herkenbaar zijn aan hun eigen stijl, dan zou ik daar toch aan toe willen voegen dat grote schrijvers herkenbaar zijn aan de veelheid van stijlen die ze beheersen. In Moby Dick heeft Melville zich uitgeleefd als in geen ander boek. Zijn taal golft en schuimt en spat als de zee zelf. Bovendien heeft hij iets te vertellen: door het hele, oeverloze boek heen weet hij de spanning van het verhaal vast te houden en op te voeren, terwijl er eigenlijk niet zo gek veel gebeurt. Zo ontvouwt hij hoofdstuk na hoofdstuk het monumentale drama van een krankzinnige jacht die een symbolische allure krijgt. Het is een boek als een opera, met meer dan één waanzin-aria.

Met Achabs jacht op Moby Dick snijdt Melville trouwens een thema aan dat sindsdien alleen maar actueler is geworden. Want het gaat over extremisme. Niet voor niets duikt de figuur van Achab vaak op in discussies over het Kwaad, en is hij vergeleken met Hitler of recentelijk met Bin Laden of met Bush. Zijn drijfveren gaan dan ook dieper dan alleen maar de wraak voor zijn verloren been. Dat blijkt niet alleen uit de toespelingen op het boek Job, en overpeinzingen zoals die over ‘het witte van de walvis’, maar ook uit de monologen die Achab zo nu en dan zelf afsteekt.

Achab, zo wordt gaandeweg duidelijk, is een verbeten zoeker naar Zin, en zijn rabiate jacht op de witte walvis komt voort uit vertwijfeling. Hij is, om in zeemanstermen te blijven, van zijn ankers losgeslagen en op drift geraakt. Hij worstelt met wat in de theologie de Deus Absconditus heet de verborgen God die zich niet laat kennen en die geen antwoorden geeft op prangende levensvragen. De natuur, die ‘Gods grote, onhoffelijke hofdichter’ wordt genoemd, is groots en wonderbaarlijk, maar ook meedogenloos en huiveringwekkend. En door het hele boek heen speelt de existentiële vraag: waar is het allemaal goed voor? Wat zit erachter? Die ondoorgrondelijkheid heeft Achab in de loop van zijn veertigjarig zeemansbestaan verbitterd en de witte walvis is voor hem, sinds dat eerste treffen waarbij hij zijn been verloor, het symbool geworden van de wreedheid van een leven dat zijn geheimen niet wil prijsgeven.

In een van zijn laatste monologen filosofeert hij over de wind. Dat is een heel grillig betoog, waarin hij de wind nu eens vuil en laf noemt, en dan weer glorieus en nobel. Op een gegeven moment verzucht hij: ‘Had hij maar een lichaam, de wind, maar alles wat de mens het meest verbittert en krenkt, is lichaamloos. Lichaamloos als je het wilt pakken, ja, niet als het jou pakt. Dat is een heel opmerkelijk, heel geniepig, heel misselijk verschil.’

Zoals de witheid van de walvis geduid wordt als een misselijk teken van het onkenbare dat in al het gekende schuilgaat, zo gebruikt Achab hier de wind als een metafoor voor hetzelfde. Lang voordat Nietzsche in Also sprach Zarathustra dezelfde gedachte ook met het beeld van de wind zou illustreren: ‘Als ik deze boom hier wilde schudden met mijn handen, ik zou het niet vermogen. Maar de wind, die wij niet zien, pijnigt en buigt hem waarheen hij wil. We worden het ergst gebogen en gepijnigd door onzichtbare handen.’ (Cursivering van mij, P.M.)

De onzichtbare handen die Zarathustra pijnigen, en dat ‘lichaamloze’ dat Achab verbittert en krenkt – dat is de metafysische dimensie van de levensvragen waarmee Melville en Nietzsche worstelden. Maar Achab is allesbehalve een Zarathustra. Hij is een gevoelsmens, die zich in zijn vertwijfeling tot extremisme laat verleiden. Moby Dick is voor hem de monsterlijke manifestatie van die Deus Absconditus waarop hij zich wil wreken, en hij aarzelt niet om zijn hele bemanning in die waanzinnige onderneming mee te slepen.

Het was een bittere ironie van het lot dat juist dit boek, nu algemeen erkend als een hoogtepunt in de Amerikaanse literatuur, voor Melville zelf het einde betekende van zijn succes als schrijver.

 

Over de auteur

Piet Meeuse