Gekaapt 18

G

34

Intussen lag Olaf Sörensen met zijn e-reader te lezen op het bed in zijn hut. Zo leek het althans; in werkelijkheid dwaalden zijn gedachten voortdurend af van zijn lectuur. Brenda lag naast hem en staarde bewegingloos naar het plafond.
‘Waar heb je het eigenlijk met Sylvia over gehad?’
Olaf keek opzij.
‘Huh? Met Sylvia? Wat bedoel je?’
‘Nou, gisteravond! Zij was toch hier op bezoek, voordat we allemaal werden opgehaald.’
‘O ja… God wat lijkt dat alweer lang geleden. Waar hadden we het over? We hebben zitten speculeren over de vraag hoe die lui aan boord zijn gekomen. En hoe lang het nog zou duren, en zo. En ze vroeg naar mijn bezigheden.’
‘Jouw bezigheden?’
‘Ja, beroepshalve bedoel ik. Wat doet een theoloog eigenlijk…’
‘Wat vind je van haar?’
‘Ik vind ‘r wel aardig. En jij?’
‘Wat doet dat er nou toe?’
‘Jij hebt toch veel langer met haar gepraat dan ik? Na een kwartiertje of zo vielen die kerels al binnen. Dus…’
‘Dat vond je zeker wel jammer?’
Olaf schoot in de lach.
‘Kom op, Bren! Hoor ik hier een jaloerse echtgenote?’
Hij boog zich opzij en probeerde haar te kussen. Ze trok haar hoofd weg, maar aan de beschaamde glimlach die op haar gezicht doorbrak toen ze het terugdraaide zag hij dat ze zich betrapt voelde. Ze bloosde en liet zich alsnog kussen.

‘Ik snap niet dat jij nog gewoon kunt lezen,’ zei ze nadat ze elkaar langdurig gekust en omhelsd hadden.
‘Was het maar waar. Ik probeer het wel, maar het lukt niet erg.’
‘In welk boek was je bezig?’
‘De Pancha Tantra. Een verzameling Indische verhalen, tweeduizend jaar oud.’
‘Gek! Hoe kom je daar nou weer bij?’
Olaf haalde zijn schouders op.
‘Gewoon: nieuwsgierigheid. In dit geval omdat ik had gelezen dat het raamvertellingen zijn. Die vorm interesseert me.’
‘Waarom?’
‘Omdat het een vorm is waarin het vertellen zelf een thema wordt, en zoals je weet ben ik daar al jaren mee bezig…’
Verveeld wendde Brenda haar hoofd af.
‘Ja, hou maar op. Daar heb ik genoeg over gehoord.’
‘Zal ik je een stukje voorlezen?’
‘Nee, dank je!’
Olaf trok zijn wenkbrauwen op en zuchtte.
‘Weet je: ik snap jou niet!’ brandde ze los, ‘Hoe kun je nu net doen of er niks aan de hand is! Gewoon een beetje gaan liggen lezen, terwijl we met de dood bedreigd worden!’
‘Ik probeer mezelf een beetje af te leiden. Dat zou jij ook moeten doen. Waar lag jij aan te denken?’
‘Wat denk je? Aan die enge griezel natuurlijk, die ons hier gevangen houdt! En die met ons doen kan wat hij wil. Ik word gek als ik…’
‘Maar daaróm juist, liefje! Daarom heb je afleiding nodig. We kunnen er toch niets aan veranderen. En als het waar is dat hij ons verhalen wil laten vertellen, dan is het helemaal niet zo’n slecht idee om verhalen te lezen. Misschien brengen je ze op een idee. Ik heb bijvoorbeeld gisteren een sprookje gelezen…’
‘Hoe is het mogelijk! Ik doe bijna geen oog dicht, ik ben doodsbang verkracht te worden door die hoe-heet-ie, die… doodsbang dat ik elk moment opgehaald kan worden door zijn handlangers, en jij houdt je bezig met sprookjes?’
Olaf richtte zich op zijn elleboog op.
‘Ho! Luister even, Bren. Het enige wapen dat we hebben om onszelf te verdedigen is de tong. Het is toch niet zo gek om te bedenken hoe je zo’n fanaticus met een verhaal zou kunnen verleiden…’
‘Verleiden? Tot wàt?’
‘Tot een gesprek, bijvoorbeeld. En misschien wel tot mededogen.’
‘Mededogen?!’
Brenda zette grote ogen op.
‘Ben je gek geworden of zo? Die man is een getrainde moordenaar!’
‘En toch ook een mens.’
‘Olaf! Zó naief kun je toch niet zijn! Hij heeft ons met de dood bedreigd!’
‘Maar hij heeft ons ook een ontsnappingsmogelijkheid gelaten: Sheherazade!’
‘Dat kun je toch niet serieus nemen! Hij speelt met ons leven.’
‘Ja. En er zit dus niets anders op dan mee te spelen.’
Brenda zuchtte demonstratief en schudde haar hoofd.
‘Ik… ik… wil niet dood…’
Ze kneep haar ogen dicht, en veegde een traan uit haar ooghoek.
‘Natuurlijk niet, schat. Maar het helpt niet om alleen maar bang te zijn. Probeer je voor te stellen hoe je een gesprek met hem zou kunnen voeren. Hoe je hem zou kunnen afleiden… Misschien…’
‘Misschien wàt?’
Olaf sloot haar in zijn armen.
‘Misschien heeft hij alleen maar behoefte aan een beetje afleiding. Net als wij.’

Over de auteur

Piet Meeuse