Er woedde eens een oorlog die erg lang duurde. Veel te lang. Misschien wel honderd jaar, of honderd vijfendertig. (Het is zelfs mogelijk dat hij nog steeds niet is afgelopen, maar dat geloof ik niet.) De mensen waren het in elk geval spuugzat. En ook de soldaten aan beide zijden hadden er tabak van: zonder enige overtuiging vuurden ze af en toe nog een schot af, omdat het moest, maar ze mikten niet eens meer. Zelfs de generaals vroegen zich af of het nog zin had om door te vechten. Lusteloos zaten ze aan grote tafels te schuiven met bataljons en divisies en aten ondertussen een broodje beenham met scherpe mosterd.
De enige die er nog zin in had was de kleinzoon (of de achterkleinzoon?) van de potentaat die de oorlog ooit begonnen was. Hij heette Vladimir en hij lustte er wel pap van. Het was een klein mannetje, maar hij kon zich verschrikkelijk opwinden. Zo ook toen zijn zoon een oproep kreeg om zich te melden voor het leger.
Wat dachten ze wel, die dienstkloppers? Dat zijn zoon, zijn erfopvolger, wel mee kon vechten aan het front? Waren ze GEK geworden?!
Hij belde direct met maarschalk Igor Boeroebrovsky, die natuurlijk weer nergens van wist, maar die er meteen ‘werk van zou maken’. Dat was Vladimir natuurlijk niet genoeg. Nu hij hem toch aan de lijn had, nam hij de gelegenheid te baat om zich te beklagen over het moreel van de troepen.
‘Een stelletje lapzwanzen zijn het, Broeb! Waarom kunnen jullie geen doorbraak forceren?! We moeten toch langzamerhand eens een keer winnen!’
De maarschalk, allang blij dat het niet meer over de zoon ging, probeerde hem nog eens voorzichtig duidelijk te maken waarom dat niet lukte:
‘De mensen snakken naar vrede, Vladimir!’
Dat was tegen het zere been.
‘Vrede? Vrede?! Wat is dat voor iets smerigs?! Wie heeft het over vrede? Eerst de overwinning! En de vernedering van de vijand! Dan valt er misschien over vrede te denken. ’t Is een schande dat je dat woord überhaupt in de mond durft te nemen, Broeb! Ik wil het niet meer horen, begrepen? Als er volgende week geen klinkende resultaten geboekt zijn, de inname van een stad, of de vernietiging van de vijandelijke vloot, of zoiets, dan mag je hout gaan hakken in een strafkamp, Broeb! Is dat duidelijk?’
Maarschalk Boeroebrovsky bevestigde dat dat duidelijk was, en nadat Vladimir de verbinding verbroken had, ging hij ijverig aan de slag.
Hij liet eerst uitzoeken wie die oproep aan de zoon had verstuurd, en toen bleek dat daarvoor niemand verantwoordelijk was omdat dat volautomatisch door het computersysteem werd geregeld, vroeg hij wie er dan verantwoordelijk was voor dat systeem.
Het duurde even voor dat was uitgezocht, en de uitslag van dat onderzoek was ook niet heel hoopgevend: niemand. Degene die ervoor verantwoordelijk was geweest, was ontslagen toen bleek dat het perfect werkte. Waarom zou je immers nog iemand op die post nodig hebben als alles volautomatisch voortreffelijk werkt?
‘Maar waar is die vent gebleven? Zoek uit! En een beetje snel.’
Uitslag van dit onderzoek: hij is overgeplaatst naar het front en vervolgens gedeserteerd.
De maarschalk vloekte.
‘Er moet toch iemand verantwoording afleggen!! Wie was verantwoordelijk voor de aanschaf van dat computersysteem?’
Dat bleek een commissie te zijn geweest.
‘En wie was de voorzitter van die commissie?’
‘Kolonel Baratinsky.’
Ha, eindelijk een kandidaat voor ontslag! De maarschalk haalde opgelucht adem.
‘Maar Baratinsky is verleden jaar overleden.’
Nu verloor de maarschalk zijn geduld. Hij moest en hij zou een slachtoffer hebben! Maar waar haalde hij dat zo gauw vandaan? Hij riep de Generale Staf bijeen voor overleg.
‘Wie is verantwoordelijk voor de uitgaande post?’ vroeg hij aan zijn generaals.
Die trokken hun wenkbrauwen op en keken elkaar bevreemd aan.
Maar nadat de maarschalk uitleg had gegeven over de achtergrond van deze vraag, begrepen ze de urgentie ervan. Na uitvoerige discussies werd besloten dat uitgezocht moest worden wie de brief met de oproep uiteindelijk had bezorgd bij de zoon. Twee weken later werd de verantwoordelijke postbode eindelijk achterhaald, gearresteerd, en naar een strafkamp gezonden.
Postbode Yoeri Sjimerkov werd als gevangene nr. 765894 geregistreerd in een strafkamp ergens ver achter de horizon temidden van eindeloze wouden, waar hij onder beroerde omstandigheden dag in dag uit met boomstammen sleepte. Maar Yoeri was een optimist en niet makkelijk klein te krijgen. Terwijl hij, blauw van de kou, probeerde een splinter uit zijn duim te trekken, bedacht hij hoeveel geluk hij eigenlijk had gehad dat hij hier zat, en niet aan het front, in een of andere modderige loopgraaf waar de kogels je om de oren floten. Want juist op de dag dat hij gearresteerd werd, had ook hij een oproep gekregen om zich te melden bij het leger.
Op een dag maakte hij kennis met een een zekere Igor, een nieuwkomer, die in het strafkamp was gearriveerd als gevangene nr. 7786052. Tijdens het houthakken maakten de mannen harde grappen over de idioot door wie ze geregeerd werden. Algauw werden ze vrienden en zoals dat gaat onder vrienden, vertelden ze elkaar over hun vroegere leven en hoe ze in het strafkamp terecht waren gekomen. Yoeri vertelde hoe hij als postbode was opgepakt, en zonder dat hij wist waarom naar het kamp was gestuurd. Maar dat hij op die manier goddank ontsnapt was aan de loopgraven: ‘een geluk bij een ongeluk!’
Igor verbaasde zich over de luchthartigheid waarmee zijn vriend zijn lot wist te dragen. Zelf was hij meer van het zwaarmoedige type. Hij vertelde hoe hij carrière had gemaakt in het leger, uiteindelijk een topfunctie had bereikt, maar van de een op de andere dag in ongenade was gevallen omdat er aan het front geen succes meer werd geboekt.
‘Zo zie je maar,’ zei hij, ‘we komen allemaal een keer aan de beurt.’
‘Ja,’ lachte Yoeri, ‘Het leven zit vol verrassingen!’
Igor lachte als een boer met kiespijn. De grootste verrassing, dacht hij, hou ik nog maar even geheim.