Gekaapt 10

G

21

Aan overkant van de gang probeerde Huub Swart zich voor te stellen hoe het zou zijn als twee gewapende kerels hem plotseling op zouden halen, en hij – alleen of met een aantal anderen – geëxecuteerd zou worden.
Hij had zijn schoenen uitgetrokken en lag op het grote bed. Starend naar het plafond vroeg hij zich af waar hij in die laatste momenten voor het schot aan zou denken. Aan vroeger? Aan Tineke? Het was misschien wel een tikkeltje brutaal geweest om dat voorstel aan Olaf te doen, dacht hij. Hij had haar min of meer opgedrongen aan die bleke Noor. Maar hij had Tineke er ook mooi tuk mee gehad. Had ze maar niet zo bot moeten reageren op Olafs uitnodiging aan hem. Hij grinnikte. Je moest toch wat, om de verveling te verdrijven?
Hij realiseerde zich dat hij alweer was afgedwaald van wat hij zich probeerde voor te stellen, en constateerde dat het hem ontbrak aan verbeeldingskracht. Of dúrfde hij het zich niet voor te stellen? Dat kwam misschien dichter bij de waarheid. Het was heel goed denkbaar dat ze uiteindelijk passagiers zouden gaan executeren – en toch kon hij zich niet voorstellen dat het hem zou overkomen. In zijn loopbaan als rechter had hij te maken gehad met de meest bizarre moordzaken, maar alle gruwelijke details daarvan waren toch altijd verhalen gebleven – dingen die anderen overkwamen. Je moest je erin verdiepen, beroepshalve, maar had hij er ooit van wakker gelegen? Hij kon zich geen geval herinneren.
Ik heb geluk gehad, dacht hij, mij is nooit iets ergs overkomen. Een leven zonder drama – helemaal volgens het boekje. Maar dat kon toch niet waar zijn, zou hij iets vergeten zijn? Had hij misschien iets verdrongen? Ja, dat auto-ongeluk, en de scheiding van zijn eerste vrouw, nou ja – achteraf bezien leken dat niet meer dan rimpelingen in een verder spiegelgladde vijver. Het moeilijkst had hij het gehad met de drugsverslaving van Joris, zijn jongste zoon. Maar ook dat was uiteindelijk goed gekomen.
Ik ben een oppervlakkig, zorgeloos type, dacht hij, ik kan me niet eens voorstellen dat ik doodga. En dat terwijl Joris en Inez zich nu waarschijnlijk opvreten van de zenuwen bij de televisiebeelden van de kaping in de wetenschap dat hun ouders op dat schip zitten. Dat is nog het ergste, dat we ze niet even kunnen bellen om ze gerust te stellen. Hij dacht aan zijn kleinkinderen, die gelukkig nog te jong waren om zich zorgen over opa en oma te maken. En plotseling schoot hem de opmerking van een collega te binnen die hem eens, jaren geleden, ‘gevoelsarmoede’ had verweten. Zou het waar zijn? Had die man een punt? Hij kon zich de context waarin die opmerking gemaakt was, niet goed meer herinneren. Waarschijnlijk had hij een luchtige, of misschien wel een cynische opmerking gemaakt over een gevoelige kwestie, maar waarom had dat woord hem zo gestoken? Zozeer dat hij zich die nu nog herinnerde?
Opeens verstijfde hij: een donderend geraas overspoelde het schip zodat de glazen op de tafel ervan rinkelden. Na een paar seconden was het weer over.
Vliegtuigen. Ze zullen toch niet… maar nee: geen ontploffingen, niets. Het was weer even stil als daarvoor. Machtsvertoon. Wat hopen ze daarmee te bereiken? Hoe zou het met de onderhandelingen gaan, en hoe zou Scott McDonnell het maken? Zou hij gemarteld worden? Hij wilde er niet aan denken. Volgens Sylvia leefde hij nog, maar zolang hij niet bij de maaltijden terugkeerde, moest je het ergste vrezen.

22

‘Zo,’ zei Tineke, toen Olaf de deur achter zich sloot. ‘Een interessant experiment is dit. Het kan ze dus inderdaad geen bal schelen wie er met wie meegaat.’
‘Ja,’ zei Olaf.
Hij wist zich niet goed raad met de situatie.
‘Ga zitten. Dit is dus onze hut. Waarschijnlijk precies dezelfde als die van jullie.’
Tineke keek rond, knikkend, en ging toen aan de tafel zitten.
‘Gek hoor,’ lachte ze nerveus. ‘Zit ik opeens zomaar bij jou op bezoek…’
Olaf maakte een hulpeloos gebaar en grijnsde.
‘Ja, het is…’ Hij zocht naar woorden.
‘Is dit jullie eerste cruise?’ vroeg hij opeens.
‘Ja,’ zei Tineke, ‘en ook de laatste, wat mij betreft.’
Olaf grijnsde opnieuw.
‘Het was een idee van Huub,’ vertelde Tineke. ‘Om te vieren dat hij met pensioen is gegaan. Hij houdt niet van reizen, maar dit leek hem wel iets – lekker makkelijk. En jullie? Doen jullie het ook voor het eerst?’
‘Ja, het is onze huwelijksreis.’
‘Ach! Werkelijk? Wat een pech dat je dan opeens een stel van die gevaarlijke gekken op je dak krijgt…’
Olaf knikte.
‘Ja, met zoiets hou je geen rekening…’
Er viel een stilte.
‘Nou ja,’ probeerde Olaf, ‘Als we dit overleven, zal het in elk geval een onvergetelijke reis zijn geweest.’
Een zuur glimlachje gleed over zijn gezicht.
Tineke keek hem aan met een diepe frons, alsof ze niet helemaal begreep wat hij zei.
‘Kan Brenda het allemaal nog wel aan?’
‘Och jawel, het gaat wel,’ zei Olaf. ‘Maar leuk is anders…’
‘Hoe lang kennen jullie elkaar?’
Olaf keek op alsof de vraag hem verraste.
‘Nog niet zo heel lang. Anderhalf jaar, zoiets.’
‘En wanneer zijn jullie getrouwd?’
‘Drie weken geleden.’
‘Aahhh,’ zei Tineke. ‘De wittebroodsweken noemen wij dat. Vertel eens, hoe hebben jullie elkaar leren kennen?’
‘Nou, gewoon,’ zei Olaf. ‘Via een datingsite.’
‘O ja? En was het meteen raak?’
‘Nee. Je moet ook een beetje geluk hebben, hè. En ik ben niet zo’n vlotte prater.’
‘Goh, een datingsite…’ zei Tineke. ‘Hoe gaat zoiets?’

Met nauwelijks verhulde tegenzin begon Olaf uit te leggen hoe het werkte. Tineke luisterde belangstellend.
‘En je hoeveelste date was Brenda?’
‘Pfff… De derde of de vierde, denk ik. Als je een afspraak maakt en elkaar tegenkomt, dan heb je vrij snel in de gaten of het klikt of niet. Meestal blijft het bij één ontmoeting. Ik had het geluk dat ik niet lang heb hoeven zoeken. Met Brenda klikte het meteen.’
‘Bofkont!’ zei Tineke. ‘Tussen mij en Huub klikte het helemaal niet meteen. Hij lag in het ziekenhuis, waar ik hem verpleegde. Ik vond hem in het begin helemaal niet aardig; hij heeft behoorlijk zijn best moeten doen.’
‘Ah, u hebt in de verpleging gezeten?’
‘Ja. Tot ik met hem trouwde. Toen wilde hij me thuis hebben. Zo ging dat vroeger, hè? Ik had er trouwens zelf ook wel genoeg van. Het is een zware baan, hoor. Werkt Brenda nog?’
‘Nee. Ze had nog geen baan, ze studeerde kunstgeschiedenis. Maar ze wil graag kinderen.’
‘Jij ook?’
‘Jawel. Nu wel. Ik wilde eerst promoveren, en dat is nu gebeurd. Dus…’
Tineke lachte.
‘Dus nu wordt er aan een kindje gewerkt? Daar is zo’n cruise heel geschikt voor, lijkt me. Normaal gesproken, tenminste.’
Op dat moment werd hun gesprek onderbroken door het donderend geraas van de laag overvliegende vliegtuigen. Ze keken elkaar verschrikt aan.

Nadat het geluid was weggestorven, was Tineke de eerste die weer iets zei.
‘O, die ellendelingen! Hoe lang zal het nog duren?’
Olaf maakte een hulpeloos gebaar.
‘Ik kan daar zó kwaad om worden!’ ging Tineke door. ‘Dat helpt natuurlijk niks, maar ik kan er niet tegen dat je helemaal niks kunt doen… Als ik een geweer had….’
Ze zweeg.
‘Zou je dan schietend de gang op gaan?’ vroeg Olaf.
‘Ach nee, onzin… Wat denk jij dat er gaat gebeuren?’
‘Geen idee. Ik neem aan dat er druk onderhandeld wordt. Je kunt alleen maar hopen dat er niet nog meer doden vallen.’
‘Zei Sylvia niet dat die gek het schip wilde opblazen?’ vroeg Tineke.
Olaf knikte.
‘Daar dreigde hij mee, ja. Je moet er niet aan denken, want dan doe je geen oog meer dicht.’

Over de auteur

Piet Meeuse