Gekaapt 22

G

44

Op handen en voeten kroop Sylvia door het hoge gras. Het was een spelletje, verstoppertje of zoiets. Maar met wie ze het speelde was niet duidelijk. Mannen, ja. Maar wie? Het was opwindend, ze luisterde scherp of ze tussen het geritsel van het gras nog andere geluiden hoorde. Voetstappen, of gekraak van takken, gezwiep van bladeren… Het leek wel een oerwoud hier. Hoorde ze daar niet een stem? Ja, dat was duidelijk een mannenstem die praatte, maar tegen wie? Ze dook weg achter een struik met heel vreemde bladeren. Het zag eruit alsof elk blad geborduurd was in verschillende kleuren. De stem kwam dichterbij, ze hoorde nu ook duidelijk het geruis van bladeren die opzij geduwd werden. Ze werd bang, want van wie was die stem? En opeens werd ze gewaar dat ze nauwelijks gekleed was. Alleen een dun bloesje had ze aan. Ze verborg haar onderlichaam tussen de bladeren en wachtte met ingehouden adem af.
Opeens stond Huub voor haar.
‘Niet schrikken,’ zei hij. ‘Weet jij waar Tineke is?’
Sylvia schudde van nee.
‘Hoe kan dat nou?’ klaagde hij. ‘Ik moet haar spreken. Het is dringend.’
Ze haalde haar schouders op. ‘Sorry, ik kan je niet helpen.’
Huub wierp zijn handen in de lucht en liet ze weer vallen. Toen liep hij verder, langs Sylvia heen, alsof ze niet meer bestond. Ze keek hem na, zag hoe hij met grote stappen een zompig moeras inliep, en met elke stap dieper in het water verdween. Ze wou hem naroepen, waarschuwen, maar er kwam geen geluid uit haar keel. Ze voelde zich schuldig, en toch ook een soort van opgelucht dat hij niet meedeed met het spelletje. Maar wie dan wèl?
Ze kroop verder door het gras, tot ze een stenen trap bereikte, die omhoog leidde naar een portaal.  Nieuwsgierig beklom ze de trap en betrad een zuilengalerij die om een vierkante binnentuin heen was gebouwd, waarin een gebeeldhouwde fontein een krans van stralen de lucht in spoot. Overal bloeiden bloemen. Verrukt keek ze om zich heen en haalde diep adem.
‘Hebbes!’ zei een bekende stem achter haar, en tegelijk voelde ze twee zware handen op haar schouders. Ze schrok hevig en terwijl ze zich omdraaide ving ze nog net een glimp op van zijn gezicht, voor ze wakker werd. Het was Aboe Hassan, stelde ze vast, en meteen was er een gevoel van spijt over haar ontwaken. Wat zou er gebeurd zijn als ze niet wakker was geschrokken?

Vol tegenstrijdige gevoelens probeerde ze na te denken over haar droom. Ze haatte die man toch? Die verschrikkelijke ijdeltuit met zijn snor en zijn roofdiergebit. Maar ze moest erkennen dat hij ook iets aantrekkelijks had, iets dat haar opwond… Was hij niet het prototype van het soort foute mannen waar ze steeds weer op viel? Ferry, Antony, Herman, Derk – ze hadden niet veel gemeen gehad, behalve dat aura van onweerstaanbaarheid, een soort brutale charme waartegen ze geen verweer had, of dat haar in elk geval flirterig maakte. Maar ze waren stuk voor stuk onbetrouwbaar gebleken: zwakke karakters, egoïstisch en vol zelfbeklag. En Aboe Hassan was waarschijnlijk van hetzelfde laken een pak. En nog gevaarlijk op de koop toe. Ze was toch niet voor niks wakkergeschrokken?
Toen schoot Huub haar tebinnen: ja, ze had ook nog van Huub gedroomd, en Huub was nog steeds niet boven water. Ze zag hem opnieuw verdwijnen in dat moeras. Verrek: die uitdrukking ‘niet boven water’, zou die dat droombeeld misschien hebben opgeroepen? Wie weet. Maar het leek haast wel een boodschap: hij was op zoek naar Tineke, en het was dringend. Moest ze haar droom dan aan Tineke vertellen? Zou ze dat überhaupt durven, zolang hij niet terug was? Neenee – beter van niet. Dromen zijn zo particulier, en je weet toch niet wat ze betekenen. Misschien later, als alles achter de rug was en ze het allemaal overleefd hadden.

Hé! Waren dat schoten die ze hoorde? Ver weg klonken ze, maar toch duidelijk hoorbaar: poef, poef, poef, poef, poef – met tussenpozen van een paar seconden. Vijf keer. Zouden er opnieuw mensen geëxecuteerd worden? Het was een gedachte die ze snel wegdrukte.
Huiverend ging ze rechtop zitten in haar bed. Hoe laat was het?
Zeven uur. Van slapen zou nu wel niets meer terecht komen. Straks navragen of de anderen die schoten ook gehoord hebben.

45

In het Witte Huis was koortsachtig overleg gaande. Er was een rechtstreekse verbinding met het onderhandelingsteam aan boord van het fregat dat de Arabian Nights in de gaten hield, en ook met het vliegdekschip dat een tiental kilometers verderop gereed lag om in actie te komen. De president was zojuist op de hoogte gesteld van de laatste ontwikkelingen: geen enkele vooruitgang in de onderhandelingen, en opnieuw waren vijf passagiers geëxecuteerd en in zee geworpen.
Iedereen was het erover eens dat er nu op heel korte termijn ingegrepen moest worden.
De president richtte zich tot het hoofd van de CIA:
‘Wat weten jullie intussen over die Aboe Hassan-en-nog-wat?’
‘Weinig. Een Jemeniet, waarschijnlijk in Pakistan opgeleid tot terrorist. Schijnt in Londen gestudeerd te hebben.’
‘Is dat alles?’
Ja, het spijt me.’
‘General Whittaker,’ richtte de president zich nu tot de man op het grote tv-scherm, ‘hoeveel manschappen heeft u nodig om de kapers uit te schakelen?’
‘Het is niet precies bekend hoeveel kapers er zijn, mr. President. Wij schatten hun aantal op minimaal 20. Dat betekent dat wij minimaal eenzelfde aantal commando’s in zullen moeten zetten bij de eerste aanval.’
De generaal wees op een kaart die achter hem aan de wand hing en waarop alle dekken van het passagierschip stonden afgebeeld.
‘Het plan is om ze met twee heli’s te droppen op dit dek. Hier, en hier. Zodra dat dek is veiliggesteld, zal er een derde heli landen die nog eens 10 man afzet. Daarna worden zo snel mogelijk meer manschappen aangevoerd.’
‘En hoe lang zal het duren voor u de laatste kaper heeft uitgeschakeld?’
‘Dat is niet te zeggen, mr. President. Het kan in een paar uur gebeurd zijn, maar het kan ook dagen duren. Dit type operatie is buitengewoon riskant: u moet rekenen op veel slachtoffers – nog afgezien van de mogelijkheid dat de kapers zullen overgaan tot het executeren van meer gijzelaars, of ze als menselijk schild zullen gebruiken.’
‘Doe ‘ns een gooi…?’
De generaal schudde z’n hoofd om aan te geven dat het een onmogelijke opgave was. Toen zei hij: ‘Twintig doden? Dertig? Maar het kunnen er net zo goed tachtig worden. Er valt niks over te zeggen. En een veelvoud aan gewonden.’
‘Jesus Christ!’ zuchtte de president. ‘Moeten we dat wel doen?’
‘Als we het niet doen,’ zei de minister van Defensie, ‘dan vallen die 20 of 30 doden toch, omdat die klootzakken dan doorgaan met executeren. Bedenk wel: het dodental staat nu al op elf – voor zover we weten. En vroeg of laat moeten we toch geweld gebruiken. Dus beter nu meteen dan nog langer uitstellen.’
‘Is het niet mogelijk om ze uit te schakelen met traangas, of zoiets?’
‘Het zijn geen demonstranten, Mr. President! Het zijn fucking terrorists!’
‘En hoe groot schat u de kans dat ze de hele boel opblazen?’
Generaal Whittaker haalde zijn schouders op.
‘Niet heel groot. Dan zouden ze al die explosieven aan boord gesmokkeld moeten hebben. En om zo’n schuit op te blazen heb je heel wat nodig. Lijkt me onwaarschijnlijk.’
‘Ze hebben er wel mee gedreigd.’
‘Bluf,’ zei het hoofd van de CIA.
‘Goed,’ hakte de president de knoop door. ‘We gaan het doen. Vannacht.’

46

Bij het ontbijt verscheen Tineke weer aan tafel. Tot vreugde van de anderen. Maar het was haar aan te zien dat ze zich grote zorgen maakte: zwijgend, met wallen onder de ogen en een doffe blik, zat ze tussen Sylvia en Scott in.
‘We moeten iets doen om erachter te komen wat er met Huub is gebeurd,’ zei Scott.
‘Ik heb ernaar gevraagd,’ zei Olaf, ‘toen ik gisteren bij hem was. Maar ik kreeg geen antwoord.’
‘Jij bent gisteravond opgehaald?’ vroeg Sylvia verbaasd.
Olaf knikte terwijl hij Brenda thee inschonk.
‘Ik heb hem een sprookje verteld, en dat vond ie wel amusant.’
‘Wat zei ie dan,’ vroeg Tineke, ‘toen je naar Huub vroeg?’
‘”Maakt u zich geen zorgen”, zei hij, en dat was alles. Toen werd ik weg geleid.’
‘Geen zorgen!!!’ gromde Tineke. ‘De schoft! Ik doe geen oog dicht.’
‘Koffie, Tineke?’ vroeg Scott.
Ze knikte.
‘We moeten gewoon allemaal naar hem blijven vragen,’ zei Brenda.
‘Natuurlijk,’ zei Scott. ‘Maar kunnen we niet nog iets anders doen?’
‘Misschien een schriftelijk verzoek indienen?’ opperde Sylvia.
‘Een schriftelijk verzoek?’ Tineke schudde haar hoofd afkeurend. ‘Hoe dan?’
‘Nou,’ zei Sylvia. ‘als we dat in een gesloten envelop aan een van die jongens hierachter geven,’ en ze maakte een hoofdbeweging naar de bewakers, ‘dan zullen die het vast wel doorgeven aan Aboe Hassan…’
‘En wat moet er dan in staan?’
‘Ik vind het nog niet zo’n gek idee,’ zei Olaf. ‘Er moet in staan dat we ons allemaal ernstig zorgen maken over onze vriend Huub. Dat we willen weten wat er met hem gebeurd is, en…uh…’
‘En misschien… ’ voegde Sylvia eraan toe, ‘dat als hij onrust onder de passagiers wil voorkomen… dat het dan in zijn eigen belang is om ons te vertellen wat er met Huub is gebeurd?”
Scott schudde van nee.
‘Ik denk niet dat hij daarvan zal schrikken…’
‘Maar hij moet toch onder druk gezet worden!?’ zei Tineke.
‘Hadden we de middelen maar om dat te doen…’ zei Scott, ‘Maar die hebben we niet.’
‘Toch vind ik het een goed idee,’ zei Olaf. ‘Ook die aanvulling van Sylvia. We moeten toch wàt! Maar heeft iemand hier papier bij zich?’
Scott haalde een notitieboekje uit de binnenzak van zijn colbertje en scheurde er een bladzij uit. Hij bleek ook over een pen te beschikken.
‘Oké,’ zei hij. ‘Dicteer maar.’

Na wat geharrewar over de aanhef en de aanspreekvorm (het werd uiteindelijk: ‘Kolonel’) schreef Scott in een paar Engelse zinnen op wat Olaf en Sylvia al hadden gesuggereerd. Vervolgens ging het papiertje rond om iedereen zijn handtekening eronder te laten zetten.
‘Nu nog een envelop,’ zei Olaf. ‘Hoe komen we daar aan?’
‘In mijn hut heb ik wel enveloppen,’ zei Sylvia.
‘Maar is dat wel nodig?’ vroeg Brenda. ‘Kunnen we het papier niet gewoon dichtvouwen en aan die kerels geven?’
‘Nee. Dan nemen ze het niet serieus, denk ik,’ zei Sylvia. ‘Dan heb je kans dat ze het gewoon verscheuren. Liever een gesloten envelop met zijn naam er duidelijk op.’
‘Maar dan moet het dus wachten tot vanavond.’
Tineke zuchtte.
‘Nou ja. Dat moet dan maar…’
Sylvia wierp een snelle blik op haar; ze herinnerde zich haar droom en de vraag van Huub. Zou ze het haar vertellen? Nu? Nee, ze durfde het niet aan.

Over de auteur

Piet Meeuse