Gekaapt 23

G

47

Aboe Hassan voelde zich als een schaakgrootmeester vlak voor hij de beslissende zet doet die hem wereldkampioen zal maken: hij wist dat hij niet meer kon verliezen en dat besef maakte hem euforisch. Hij schreef geschiedenis, nu. En heel de wereld hield zijn adem in. Dit was waar hij altijd van gedroomd had.
Vijf jaar had hij hier naartoe gewerkt, en het was gelukt: de operatie was geslaagd. Nu hoefde hij alleen nog maar te wachten op de onvermijdelijke apotheose: de Amerikaanse aanval. Dat hij daarbij zou sneuvelen was ingecalculeerd. Maar niet zonder dat hij eerst een Feest van Vuur & Bloed zou aanrichten waarin hij zoveel mogelijk ongelovigen met zich mee zou sleuren, de dood in, waar ze zo bang voor waren. Of hij een martelaar zou worden – daar was hij niet zo zeker van, want dat paradijs na de dood, daar had hij zijn twijfels over. Maar een Glorieuze Held voor de Arabische Zaak, die op onvergetelijke wijze wraak had genomen op het decadente Westen, dat zou hij zeker zijn. Dat stond vast. Waar wachtten ze nog op, die laffe Yankees?
Hij liet zijn vingers liefkozend langs zijn ongeschoren kaken glijden en draaide even aan de punten van zijn snor. Daarna gaf hij opdracht op Scott McDonnell uit zijn hut op te halen.

‘Zo, mister McDonnell! Amuseert u zich nog een beetje?”
Scott begroette hem met een formeel knikje.
‘Dat wordt met de dag lastiger, moet ik zeggen.’
‘Ik zou toch denken dat u hier genoeg materiaal heeft om een fijne thriller te schrijven!’
‘Jawel. Maar een goeie plot – daar ontbreekt het nog aan. En de omstandigheden zijn nu ook weer niet ideaal om te schrijven.’
‘O nee? Een zee van tijd en gedwongen afzondering – is dat niet ideaal voor een schrijver?’
‘Blijkbaar niet per se. Maar mag ik u vragen of u onze brief heeft ontvangen?’
Aboe Hassan kneep zijn ogen tot spleetjes, alsof hij ze tegen een fel licht moest beschermen.
‘Ja,’ zei hij na een paar seconden. ‘O ja. Waarom?’
‘Wij zouden graag iets horen over onze vriend Huub. Huub Swart.’
‘De rechter bedoelt u?’
‘Ja, die.’
‘Daar kan ik niets over zeggen.’
‘Maar u moet toch weten wat er…’
‘Natuurlijk weet ik dat!’ onderbrak Aboe Hassan hem. ‘Maar dat betekent niet dat u het ook moet weten.’
‘Maar zijn vrouw maakt zich ernstige zorgen!’
‘Terecht. Maar laten we het over iets anders hebben. Uw tijd in Pakistan, bijvoorbeeld.’
Scott trok zijn wenkbrauwen hoog op.
‘Waarom?’
‘Wat waren uw betrekkingen met Mahmoud Ali Barzani?’
‘O, wij zagen elkaar regelmatig op de cricketclub… niks bijzonders. Kent u hem?’
‘Zeker. Niet persoonlijk, maar ik weet wie hij is.’
‘Een interessante figuur. Een man met twee gezichten: enerzijds dat van de gewiekste zakenman, een man van de wereld: voorkomend, intelligent en schijnbaar volkomen verwesterd. En anderzijds het gezicht van een islamistische fanaticus: rancuneus, meedogenloos en bloeddorstig, die zijn enorme rijkdom gebruikte om de Taliban te financieren.’
Scott pauzeerde even, voor hij vervolgde:
‘Mij liet hij natuurlijk alleen dat eerste gezicht zien, maar ik wist van zijn andere gezicht, en van zijn banden met de Taliban. Ik durf te wedden dat hij ook het opleidingskamp waar u deze kaping heeft voorbereid heeft gefinancierd…’
Op het gezicht van Aboe Hassan brak een grijns door:
‘Zie je wel: ik had gelijk! U bent een spion, of u wàs het.’
Scott schudde zijn hoofd.
‘Welnee. Dat was zoiets als een publiek geheim. In elk geval waren ze bij de Britse ambassade in Karachi allemaal op de hoogte van zijn duistere activiteiten. Het zou me niet verbazen als hij zelfs deze kaping heeft gesponsord.’
‘U weet meer dan goed voor u is, mister MacDonnell! Dat betekent dat ik ervoor moet zorgen dat u dit avontuur niet zult overleven. En dat spijt mij.’
‘Werkelijk?’
‘Ja. U zult het misschien niet geloven, maar ik geniet van die gesprekken met u. En ik verheug me op wat u mij nog meer gaat vertellen.’
‘Als u mij niet meer wilt vertellen over Huub,’ zei Scott, en hij keek Aboe Hassan recht in de ogen, ‘dan heb ik u ook niets meer te vertellen.’
Die schudde zijn hoofd ongelovig en retourneerde zijn blik.
‘Dat meent u niet! Dan dwingt u mij om nú meteen een eind aan uw leven te maken. Is dat wat u wilt?’
‘Nee,’ zei Scott. ‘Natuurlijk niet. Maar vóór wat hoort wat.’
Aboe Hassan barstte in lachen uit, maar Scott hoorde dat het geen spontane lach was, dus hij was op zijn hoede.
‘Die rechter van u,’ zei Aboe Hassan toen hij was uitgelachen, ‘die is gezakt voor de Sheherazade-test.’
Hoewel Scott MacDonnell steeds rekening gehouden had met slecht nieuws over Huub, schrok hij er toch van. Hij wist even niet wat hij zeggen moest.
Maar voor hij iets kon zeggen, gebeurde er opeens zoveel tegelijk, dat het slechte nieuws volkomen overdonderd werd: er klonken schoten, en op hetzelfde moment stormde een kaper binnen met het bericht dat er Amerikanen op het achterdek geland waren. Aboe Hassan sprong op, greep naar zijn AK 47 en riep een paar bevelen in het Arabisch naar de aanwezige bewakers, die meteen vertrokken. Zijn ogen schitterden toen hij nog een laatste, snelle blik op Scott wierp.
‘Blijf hier!’ zei hij (weer in het Engels). ‘I ‘ll be back in a minute.’ En hij rende de brug uit.

48

Door het schieten waren veel passagiers die in hun hutten lagen te slapen al wakker geschrokken. En voor zover dat niet het geval was, werden ze wel wakker door het gebonk op hun deur en het geschreeuw in de gang. Nu de kritieke, laatste fase van de kaping was aangebroken, had Aboe Hassan het bevel gegeven om de overgebleven passagiers zo snel mogelijk bijeen te brengen in de eetzaal.
Dat lukte maar ten dele. Niet iedereen liet zich zijn hut uit jagen. Er waren er nogal wat die liever in hun hut bleven; op het gevaar af de woede van de kapers te wekken draaiden ze de deur van hun hut van binnenuit op slot. Dat leek een goede gok want de twee of drie kapers die met deze opdracht belast waren, hadden tijd noch geduld om die deuren van buitenaf zelf te openen. En zo bleef ongeveer de helft van de passagiers in de hutten achter. Onder wie Olaf en Brenda, en ook Tineke. Maar Sylvia, gewekt door het lawaai, had slaapdronken haar deur open gedaan, en kon toen niet meer terug. Samen met andere, doodsbange passagiers werd ze door de paniekerige kapers naar de eetzaal gedreven.
Daar waren intussen enkele tientallen passagiers, half gekleed of in pyama, verzameld. Ze werden door de kapers met driftige gebaren gemaand om aan de tafels te gaan zitten. Men ging zitten; hier en daar omhelsde men elkaar, er klonk onderdrukt gesnik, maar de meesten keken bezorgd naar de twee kapers die hun kalashnikovs in de aanslag hielden, en luisterden angstig naar de geluiden van het vuurgevecht dat elders op het schip was uitgebroken.
Ook Sylvia begreep dat het nu echt menens was; ongerust keek ze om zich heen, op zoek naar de bekende gezichten, maar ze zag niemand van haar eetgezelschap. Waar was iedereen? Pas toen bedacht ze dat ze zich misschien, uit angst voor het schieten, in hun hutten hadden opgesloten. Dat had zij ook kunnen doen, maar het was niet in haar opgekomen. Stom, stom! Hoewel – was dat eigenlijk wel zo veilig? Die kerels konden de deur toch gewoon intrappen? Waar was Scott? Zou hij zich ook opgesloten hebben? Dat leek haar niks voor hem. Maar waarom was hij dan niet hier? En Brenda en Olaf? Van hen kon ze zich wel voorstellen dat ze zich liever in hun hut verschansten, maar van Tineke dan weer niet, en toch ontbrak ook zij.
En waar was Aboe Hassan? Zou die, nu het er echt op aan kwam, nog steeds op de brug zitten? Ze probeerde zich voor te stellen hoe zo’n bevrijdingspoging zou verlopen: commando’s die schietend het ene dek na het andere moesten zien te veroveren, en gang voor gang, hut na hut…? Terwijl ze vanuit elke hoek beschoten konden worden… Dat kon lang duren op zo’n groot schip. Waarom zouden ze trouwens hier bij elkaar gebracht zijn? Wat was de bedoeling? Was het voor hun eigen veiligheid? Of zouden ze straks als ‘menselijk schild’ gebruikt worden? Die gedachte maakte haar pas echt nerveus. Moest ze niet proberen hier weg te komen? Wat als ze zich op de grond liet zakken en op handen en voeten de zaal uit zou proberen te kruipen? Nee – dat was een dwaas idee. Waar zou ze heen moeten? Terug naar haar hut? Die route was afgesloten: die kerels hadden vrij zicht op de uitgang. Was Scott hier nou maar, dacht ze, dan zou ik me misschien ietsje veiliger voelen.

Over de auteur

Piet Meeuse