A Tekstgrootte verkleinen. A Tekstgrootte herstellen. A Tekstgrootte vergroten.

Gekaapt 8

G

18

De bemanning van de Arabian Nights was volgens een zorgvuldig uitgedacht plan gescheiden in twee groepen: zij die nodig waren om het leven op het schip zo ordelijk mogelijk te laten verlopen, en degenen die gemist konden worden. Tot de eerste groep behoorden bijvoorbeeld het keukenpersoneel dat voor de dagelijkse maaltijden moest zorgen en de technici. Tot de tweede groep de schoonmakers, de mensen van de administratie en een groot deel van het bedienend personeel. Die groep was samen met het grootste deel van de passagiers al na een dag vrijgelaten.
De anderen werden net als de overgebleven passagiers opgesloten in hun hutten, in een ander deel van het schip, en moesten beurtelings onder streng toezicht hun werk doen in de keukens, de machinekamers of waar het verder nodig was.

De executie van de eerste groep van vijf passagiers werd de volgende morgen uitgevoerd op het achterdek, waarna ze zonder plichtplegingen overboord werden gegooid. Dat bleef uiteraard niet onopgemerkt. Vanuit de omringende schepen werd de Arabian Nights dag en nacht in de gaten gehouden, en onmiddellijk nadat het dumpen van de slachtoffers was waargenomen, kwam men in actie. Met snelle rubberbootjes werd geprobeerd de lijken te bergen.
Het nieuws bracht wereldwijd een schokgolf teweeg. Met telelenzen gemaakte beelden van de in zee geworpen lichamen werden op alle tv-zenders vertoond. Regeringsleiders spraken routineus hun afschuw uit over deze ‘barbaarse terreurdaad’ en zwoeren plechtig dat de schuldigen hun straf niet zouden ontlopen. Al snel volgde het bericht dat de slachtoffers allen Amerikanen waren, en dat de kapers hadden gedreigd elke dag nieuwe executies uit te voeren zolang niet aan hun eisen was voldaan.
Over wat die eisen inhielden, bestond nog veel onduidelijkheid. De autoriteiten die met de kapers onderhandelden, wilden daarover geen mededelingen doen. Maar nu duidelijk was geworden dat de kapers niet terugschrokken voor het uitvoeren van hun dreigementen, werd de roep om snel in te grijpen steeds luider. Opnieuw verschenen overal militaire experts op het scherm om uit te leggen hoe moeilijk en riskant een dergelijke operatie was, al zeiden ze erbij dat ingrijpen uiteindelijk onvermijdelijk zou zijn als de onderhandelingen niets opleverden.
Die onderhandelingen, rechtstreeks via de boordradio gevoerd tussen Aboe Hassan en de opperbevelhebber aan boord van Amerikaanse fregat – die op zijn beurt in rechtstreeks contact stond met Washington – zaten intussen muurvast. Er werd miljoenen dollars aan losgeld geboden, en een vrije aftocht voor de kapers, maar Aboe Hassan hield onvermurwbaar vast aan zijn belangrijkste eis: de aftocht van alle Amerikaanse troepen uit de Arabische wereld. Dat was echter onbespreekbaar voor de andere kant.
Ook het aanbod om enkele terroristen uit Amerikaanse en Israelische gevangenissen vrij te laten kon geen verandering brengen in de opstelling van Aboe Hassan. En toen na de executie van de vijf Amerikanen de opperbevelhebber hem woedend liet weten dat hij daarvoor zou moeten betalen met zijn eigen leven, had Aboe Hassan lachend geantwoord dat het voorlopig 6-0 voor hem stond. Daarna was het contact verbroken.

Van al deze dingen wisten de overige passagiers zo goed als niets. Misschien hadden sommigen de schoten van de executie gehoord, en natuurlijk was het ontbreken van de slachtoffers opgemerkt door hun tafelgenoten bij de eerstvolgende maaltijd. Maar omdat alle ‘eetgroepen’ van elkaar gescheiden werden gehouden, drong het nieuws van de executies slechts in de vorm van een vaag gerucht tot hun door. Wel had iedereen het scheurende geluid van de laag overvliegende gevechtsvliegtuigen gehoord. Het was een machteloos gebaar van machtsvertoon, dat minder effect had op de kapers dan op hun gijzelaars, die vreesden dat het de aankondiging was van een armageddon dat ze niet zouden overleven. Maar verder gebeurde er niets.
In de beslotenheid van hun luxueuze hutten konden ze allemaal niets anders doen dan afwachten; sommigen probeerden wanhopig ontsnappingsplannen te bedenken, maar de meesten legden zich neer bij de situatie en hoopten op hun spoedige vrijlating als resultaat van de onderhandelingen. Intussen was er niemand die zich niet op enig moment geconfronteerd zag met de mogelijkheid dat dit wel eens het einde van zijn of haar leven kon betekenen, en die gedachte lokte als vanzelf overpeinzingen uit over het leven dat men geleefd had.

Scott McDonnell was de enige die niet in zijn eigen hut zat. Na de confrontatie met Aboe Hassan was hij opgesloten in een klein vertrek, waar een bureau stond met een computer, en verder kasten vol ordners langs de wanden. Kennelijk het kantoortje van een of andere administrateur. Daar was hij urenlang aan zijn lot overgelaten. Hij had wat gesnuffeld in de ordners, die niets interessants bevatten: ellenlange lijsten waarin artikelen werden opgesomd, of rekeningen. Blijkbaar werd hier de bevoorrading van het schip geadministreerd. Daarna had hij de computer aangezet, maar omdat hij niet over de noodzakelijke wachtwoorden beschikte, kon hij daar ook niet veel mee.
Onderuit gezakt in de bureaustoel dacht hij terug aan zijn kennismaking met Aboe Hassan. Hij was geschrokken van die onverwachte kaakslag, maar dat moest je ook weer niet overdrijven. Als oud-militair begreep hij die klap als een simpele intimidatie-tactiek. Intrigerender vond hij het gegeven dat de man blijkbaar in Londen had gestudeerd. Dit was dus een van die types die hun opleiding in het Westen hadden gekregen, om vervolgens hun leven in dienst te stellen van de strijd voor een onmogelijke zaak… Moeilijk te begrijpen, zoiets. Hij moest dus afkomstig zijn uit een welgestelde familie, anders krijg je zo’n kans niet. Maar hoe radicaliseerde zo iemand?
Was dat niet alleen te begrijpen als je ervan uitging dat dat radicale al op de een of andere manier besloten lag in de cultuur waarin hij was opgevoed? In de Arabische cultuur dus? Of in de islam?
Maar wat wist hij, Scott McDonnell, daarvan? Veel te weinig om daaruit conclusies te kunnen trekken. En toch… zijn gedachten bleven hangen bij die merkwaardige wending in het gesprek, toen Aboe Hassan hem liet kiezen tussen die twee scenario’s, dat van MacBeth of dat van de Sprookjes van Duizend en een Nacht. Daaruit bleek een zekere belezenheid die niet erg strookte met strenggelovige islamistische opvattingen. Maar aan de andere kant, die praatjes over de Geschiedenis die met bloed geschreven werd – dat klonk toch weer erg exotisch: dat soort ronkende grootspraak, die romantisch-heroïsche zelfvergroting – was dat niet iets typisch Arabisch? Het deed hem denken aan Saddam Hoessein, die zich graag vergeleek met een legendarische Babylonische vorst als Nebukadnezar… Zulke figuren gebruikten de islam alleen als een voorwendsel, als een wapen. Zoals alle machthebbers in het Midden-Oosten trouwens, die alleen geïnteresseerd waren in macht. Maar was dat niet ook een grondtrek van de islam? Was dat niet bij uitstek de religie van de onderwerping, geobsedeerd door de strijd tegen de ‘ongelovigen’?
Hij riep zichzelf tot de orde: niet afdwalen! Aan dit soort overpeinzingen had niemand iets. Hij moest zich concentreren op de situatie hier. Op die zogenaamde kolonel, die gedreigd had dat hij als eerste geëxecuteerd zou worden. Hij mocht dan een opschepper zijn, hij had hier wel de touwtjes in handen. Elk moment kon hij opgehaald worden, en kon het afgelopen zijn. De enige reden om hem in leven te houden, overwoog hij, zou een vermoeden zijn dat hij over waardevolle informatie beschikte. Hoe kon hij ze wijsmaken dat hij iets wist dat zij graag wilden weten? Iets over ‘de vijand’? Een geheime code bijvoorbeeld, waarmee ze konden binnendringen in het computersysteem van het Pentagon of de CIA…?
Hij had een fout gemaakt, realiseerde hij zich nu. Hij had zich gepresenteerd als een thrillerschrijver, en dus zou hij, als hij zoiets suggereerde, waarschijnlijk afgedaan worden als een fantast. Ongeloofwaardig. Stom dus. Hij had gebruik moeten maken van zijn verleden bij de Inlichtingendienst. Iets uit de tijd dat hij als militair attaché in Karachi contacten onderhield met figuren van wie men wist dat ze op goede voet stonden met moslim-extremisten… De naam van Mahmoud Ali Barzani schoot hem te binnen. Als deze Aboe Hassan zijn training in Pakistan had gehad – en daar was een goede kans op – dan was het niet onwaarschijnlijk dat hij die naam zou kennen. Dat zou hem geloofwaardigheid kunnen verschaffen.
Maar de kans dat hij nog eens tegenover die man zou komen te staan, leek hem klein.
Je hebt je kans verprutst, McDonnell! mompelde hij tegen zichzelf. You’re a damned idiot!

Over de auteur

Piet Meeuse