A Tekstgrootte verkleinen. A Tekstgrootte herstellen. A Tekstgrootte vergroten.

Leve de wielersport!

L

 

Nadat we de afgelopen winter overspoeld zijn met nieuws over de dopingpraktijken van Lance Armstrong en zijn (ex)ploegmaten, en de Rabo-renners, is zo langzamerhand iedereen wel overtuigd van de volstrekte onbetrouwbaarheid van het professionele wielerwereldje en het falen van de wielerjournalistiek, Mart Smeets (‘mag ik dat zeggen? Ja, ik mag dat zeggen’) voorop. En om het eentonig menu van bekentenissen wat op te vrolijken was er tussendoor nog het nieuws dat Alexander Vinokoerov zijn overwinning in Luik-Bastenaken-Luik gekocht heeft van medevluchter Kolobnev, voor 150.000 euro: de e-mailtjes en de overschrijvingen van het geld bewijzen het. Ook de aan manier waarop hij zijn Olympische titel behaalde zat trouwens een luchtje.

Ik ben van jongs af aan een wielerliefhebber geweest. Misschien omdat ik als kind al kennismaakte met de opwindende sfeer rond de kermiskoers die elk jaar in ons dorp werd verreden: die jongens in hun kleurige shirtjes, hun blinkende, ranke racefietsen en de geur van de pepermuntolie waarmee ze hun gespierde benen hadden ingesmeerd – ik vond het prachtig, en luisterde met rooie oortjes naar de opgewonden radioverslagen van de heldendaden die Wim van Est en Woutje Wagtmans in de Tour de France van die dagen verrichtten.

Dat is nauwelijks veranderd: nog elke zomer volg ik de Tour, en als het even kan mis ik geen grote klassieker op tv. Met verhalen over doping is iedere wielerliefhebber al vele jaren vertrouwd, en eerlijk gezegd heeft dat mijn interesse in de sport nauwelijks aangetast. Dat niet alles even eerlijk gaat in deze sport – zeker niet als er veel geld mee te verdienen valt – wie kijkt daar nu van op?

Laat ik nog iets eerlijker zijn: juist het feit dat het er in de wielersport allemaal niet zo netjes toegaat, fascineert mij. Het is een sport waarin er van oudsher al zoiets bestaat als een pikorde: je hebt kopmannen en knechten, en de knechten offeren hun eigen kansen op voor die van hun kopman. Dat is uit sportief oogpunt al iets ongehoords: het is een teamsport, zogenaamd, en toch is er maar één die met de eer gaat strijken: er kan maar één individu winnen. Dat is raar. En dat kan alleen maar omdat de renners die in dienst van hun kopman hun eigen kansen op de overwinning opofferen, daarvoor betaald worden.

Anders dan vrijwel alle andere sporten is het wielrennen van meet af aan een professionele sport geweest van boerenjongens die er een avontuurlijke broodwinning in zagen – liever dan anoniem op het land te zwoegen voor een grijpstuiver, beulden ze zich af op de fiets. Daarbij werden ze altijd al gesponsord: het was een populaire volkssport en ze werden volkshelden. En ja: waar geld en roem elkaar vinden, daar wordt natuurlijk gerotzooid. So what? Dat betekent niet dat er geen strijd geleverd wordt op het scherp van de snede – en daar gaat het toch om?

Dat maakt deze sport nu juist zo opwindend. Geen andere sport kan bogen op een geschiedenis die rijker is aan kleurrijke, hilarische en dramatische verhalen, verhalen van opoffering en bedrog, van vriendschap en vijandschap, van ontbering en uitputting, glorie en teloorgang. En niet te vergeten: doping en omkoping.

Zijn we soms vergeten dat sport in de eerste plaats een vorm van vermaak is? Dat we ernaar kijken omdat het opwindend is? De wielersport, die gewoon onder de blote hemel langs ’s Heren wegen wordt beoefend, zonder ingewikkelde puntentellingen of spelregels, van A naar B in weer en wind, had van oudsher iets avontuurlijks. Misschien ook omdat ze verwant is met oeractiviteiten als jacht en achtervolging. Het is een vorm van drama waarin helden opstaan, triomferen, en verslagen worden. En voor de echte liefhebber is het minder belangrijk wie er wint, dan hoe er gewonnen wordt.

Of dat met of zonder doping gebeurt, is niet de belangrijkste vraag. Want er is een veel grotere bedreiging voor de wielersport, en doping is daar maar een aspect van. Toch hoor je daar zelden over klagen. Maar wat mij betreft is de grootste bederver van het sportplezier de verwetenschappelijking van de sport. Topsport is helaas wetenschap geworden.

Hoe dodelijk dat is voor de wielersport als spektakel hebben we in de Tour de France van 2012 kunnen zien: de volkomen gecalculeerde manier waarop het Skyteam met Wiggins en het sprintkanon Cavendish de hele wedstrijd naar hun hand zetten, ontnam er alle spanning aan. Dat is allemaal de vrucht van de wetenschappelijke aanpak: de mannen op de achtergrond die met hun metertjes, hun schema’s en hun tabellen precies kunnen uitrekenen wat een renner moet eten, hoe en hoe vaak hij moet trainen, om een maximale prestatie te leveren. Zo kunnen ze ook nauwkeurig uitrekenen op welk moment het peloton echt hard moet gaan fietsen om een kopgroep vlak voor de finish in te halen. Alles helemaal geregisseerd vanuit de ploegleiderswagen. Succes verzekerd. En zo zagen we keer op keer hetzelfde koersverloop: Cavendish mocht het afmaken in een massasprint. Hetzelfde wetenschappelijk verantwoorde rekenwerk zorgde ervoor dat de Sky-renners Wiggins in de bergetappes op de laatste helling netjes afzetten in de voorste linies, om geen tijd te verliezen. In de tijdritten mocht Wiggins dan bewijzen dat hij het beste fietsende uurwerk van de ronde was.

Knap hoor, maar geen bal aan om naar te kijken.

En dat allemaal met renners zo schoon als een glaasje bronwater! Want daar gaan ze prat op, die Sky-jongens.*) Maar ik kijk toch niet naar de Tour om een stelletje machines op een voorgeprogrammeerde manier naar de finish te zien rijden? Dan kunnen ze wat mij betreft net zo goed op hun hometrainers blijven zitten, met al hun metertjes, om uit te maken wie het langst de hoogste ‘wattages’ kan trappen. Leuk voor wetenschappers misschien, maar niet voor wielerliefhebbers die van onvoorspelbare demarrages en niet gecalculeerde aanvalslust houden.

Daarom heb ik, na die teleurstellende Tour van verleden jaar, onbedaarlijk genoten van Contador, nog zo’n ‘dopingzondaar’ (of was het toch een onschuldig, ongecontroleerd biefstukje?) in de laatste Vuelta: dàt was fietsen! Zo wil ik het zien. En met mij miljoenen andere liefhebbers. Hij heeft voor spektakel gezorgd. Hij heeft gefietst als een duivel, en daarom heeft hij terecht gewonnen. Hij heeft lef getoond, en heeft aangevallen op een moment waarop het niet verwacht werd; hij is slim geweest, en bovendien sterk.

Ja, maar wie weet of hij wel ‘schoon’ was? Er zijn toch niet voor niets regels in de sport?

Zeker, er zijn regels: je mag elkaar niet in de berm rijden of van de fiets trekken, en in de sprint mag je niet van je lijn afwijken, niet duwen en trekken. De fietsen moeten aan bepaalde eisen voldoen, enzovoort. Allemaal prima. Maar als de regels zich uitstrekken tot wat er buiten de wedstrijd gebeurt, dan is het einde zoek. Dan krijg je dat idiote gedoe met where-abouts – alsof renners niet hetzelfde recht op vrijheid en privacy zouden hebben als alle burgers.

Hoe een renner zich prepareert op de wedstrijd, en welke gezondheidsrisico’s hij bereid is daarbij te nemen – dat valt onder zijn eigen verantwoordelijkheid, zou ik zeggen: het is zijn lichaam en daarover behoort niemand anders dan hijzelf de zeggenschap te hebben. En je mag toch hopen dat sportartsen in dienst van de ploeg hem precies uitleggen wat de mogelijkheden en de risico’s van de verschillende middelen zijn? Laat de keus dan aan hem.

Het is een illusie te denken dat je door middel van dopingcontroles echt een ‘eerlijke wedstrijd’ met gelijke kansen voor alle deelnemers krijgt: als morgen een nieuw prestatieverhogend middel wordt ontdekt dat nog niet op de lijst van verboden middelen staat, dan wordt dat natuurlijk gebruikt (en waarom ook niet?). Tot ze het gaan verbieden, waarna naar nieuwe middelen gezocht wordt. Enzovoort. Dat is een never ending story – en een onvermijdelijk aspect van de verwetenschappelijking van de sport, die de sporters verandert in proefkonijnen en de sport zelf in een laboratorium voor wetenschappelijk onderzoek. Helaas: wie tegenwoordig nog wil winnen, kan blijkbaar niet meer buiten de wetenschap. Maar wat in die hysterische dopingdiscussie meestal vergeten wordt is dit: doping maakt geen winnaars. Om een winnaar te worden moet je echt nog wel wat meer in je mars hebben dan een paar verboden middelen.

In al die ophef rond doping lijkt de wielersport zelf intussen het kind van de rekening te worden. Het gaat enkel nog om de ‘morele kwestie’: wie liegt en wie spreekt de waarheid? Maar laten we wèl zijn: wie zou niet bereid zijn tot geheimhouding, en als het moet een huichelachtige ontkenning, als je broodwinning op het spel staat? Wie zonder zonde is – die moet wel journalist zijn.

Laten we het over de sport hebben. Het is een duursport die mentaal en fysiek het uiterste van de renners vraagt. En ik geniet vooral van de mentale aspecten. Wie denkt dat het er in de wielersport om gaat wie het hardste kan fietsen, heeft er weinig van begrepen. Dat is helemaal niet interessant. Nogmaals: als het daar om zou gaan, laat ze dan maar in een gymzaaltje ‘wattages’ trappen op een hometrainer. Dan beslissen de cijfertjes. Eerlijker kan het niet. Maar saaier ook niet.

Nee: het gaat erom wie zijn krachten op het juiste moment het slimste gebruikt. Dat houdt vooral ook in: je krachten zo lang mogelijk sparen en zoveel mogelijk profiteren van de kracht van je concurrenten (maar ook weer niet te opzichtig, want als je samen in een ontsnapping zit, moet je samenwerken, en heb je elkaar nodig). Het is die spanning tussen coöperatie en concurrentie die het spel fascinerend, en psychologisch interessant maakt. Daarvoor heb je niet alleen sterke benen, maar vooral ook koersinzicht nodig. En mentale hardheid. En doortraptheid voor mijn part.

Juist die onberekenbare factoren, die niet in statistiekjes en tabellen zijn onder te brengen, die maken de wielersport interessant en opwindend. Het lef waarmee een Laurent Fignon de hegemonie van Hinault doorbrak. Of de aanvalslust die Contador in de Vuelta van verleden jaar tentoon spreidde. En zo zijn er gelukkig af en toe nog wel staaltjes van onwetenschappelijke bravoure te bewonderen.

***

Topsport is geen bezigheid voor brave Hendrikken. Wie denkt dat de brandende ambitie om grote wedstrijden als de Tour te winnen en roem te vergaren zich laat intomen door overwegingen van fair play leeft op een andere planeet. (Zou het in andere sporten anders zijn? Ik denk het niet. In alle duursporten wordt doping gebruikt. En het recente nieuws over match-fixing in het voetbal – hoewel een totaal ander probleem dan doping – bewijst dat uitslagen ook nog op andere manieren gemanipuleerd kunnen worden. Sinds kort weten we bovendien dat de spelers van Juventus in de Europa-cup finale van 1996 tegen Ajax ook doping gebruikten. Maar maakt dat voetbal minder boeiend om naar te kijken?)

Bovendien is doping – ik zeg het nog maar eens – absoluut geen garantie voor de overwinning, zoals alle deskundigen en ook alle dopingzondaars zelf kunnen bevestigen. Hoe vaak zullen ze het niet gebruikt hebben zonder te winnen? (Meestal waarschijnlijk, en dan heeft dus toch iets anders de doorslag gegeven.)  Dus waar maken we ons nu eigenlijk druk om?

Om de eerlijkheid in de sport? Gelijke kansen? Die bestaan alleen in theorie. Omdat geen twee mensen gelijk zijn qua lichaamsbouw, longinhoud, intelligentie, mentale instelling etcetera zijn de kansen ook nooit gelijk verdeeld. Er zijn renners die nooit een sprint zullen winnen, en anderen die bij de eerste de beste berg al ‘pap in de benen’ krijgen. Weer anderen kunnen de sterren van de hemel fietsen, maar winnen nooit omdat ze altijd op het verkeerde moment hun krachten verspillen. In theorie heeft iedereen die van start gaat een gelijke kans om te winnen, maar iedere wielerliefhebber weet dat dat in de praktijk niet het geval is omdat, zoals gezegd, verreweg de meeste renners hun eigen kansen moeten opofferen voor die van hun kopman.

Topsport is profsport, en wielrenners moeten zuinig omgaan met hun krachten. Dus ja, er zal wel wat geslikt of gespoten worden, en ja: waarom zou je geen deal sluiten met een concurrent als je samen in een kansrijke positie rijdt? Ik vind dat begrijpelijk en slim, en eerlijk gezegd ook amusant en spannend. Als ik in de finale van een grote wielerwedstrijd twee renners die alleen op kop rijden met elkaar zie praten, dan vind ik dat boeiend. Worden ze het met elkaar eens? Wie is de slimste onderhandelaar? En vergeet niet: om zo’n deal te kunnen sluiten moet je wel eerst die kansrijke positie in de koers veroverd hebben.

Topsport is keihard: eindeloos trainen, en er alles voor over hebben om te winnen. Dat dat niet altijd eerlijk gaat – mijn hemel, dat ligt toch voor de hand? Want waar alles draait om winnen, en verlies gelijk staat aan gezichtsverlies, en wieweet het verspelen van een lucratief contract, daar worden slimheid en sluwheid toch beloond? En als dat zo is, dan heb ik veel liever dat renners dat onderling uitvechten op de fiets dan dat er vanuit de ploegleiderswagens wordt gedecreteerd hoe het moet (weg met de ‘oortjes’!) of dat er op de achtergrond allerlei commerciële of organisatorische belangen meespelen.

Dat eerlijkheid in de professionele topsport geen hoge prioriteit heeft, kun je betreuren, maar het lijkt me een fact of life. En als we vinden dat dat niet deugt, laten we het dan hebben over de werkelijke oorzaken: over de universele verheerlijking van het winnen. Over de bizarre overschatting van sportprestaties en de verering van sporthelden in onze samenleving. En over de daarmee samenhangende rol van het geld. Het is toch duidelijk dat alles wat zo populair is en zoveel publiciteit genereert, vanzelf ten prooi valt aan de corrumperende macht van het geld en de roem?

Topsport in het algemeen is een geaccepteerde, nee: zelfs een bejubelde vorm van krankzinnigheid. Wie zou de beste jaren van zijn leven totaal willen besteden aan het tot in de finesses beheersen en perfectioneren van activiteiten die in het normale leven volmaakt nutteloos zijn? Zoiets doe je toch alleen als er veel geld en/of veel roem mee te vergaren valt?

Als sport een eerlijk spel moet zijn, dan zou er geen geld mee te verdienen en geen eer aan te behalen mogen zijn (want ook voor de ‘eer’ zijn mensen bereid tot de oneerlijkste praktijken). Maar aangezien sport ook een kijkspel is, een spektakel waar massa’s mensen van genieten, worden de deelnemers aan een wedstrijd vanzelf helden in een drama dat aan heel andere eisen moet voldoen: het moet spannend zijn. En dat is het alleen wanneer de deelnemers er alles voor over hebben om te winnen. De dood of de gladiolen! Dat is wat de toeschouwers willen te zien: helden met een ‘killersmentaliteit’, die bereid zijn te ‘sterven’ op de fiets.

Sport is massa-vermaak, onze sporthelden worden op een voetstuk gezet en vereerd als heiligen (zolang ze winnen tenminste). En aangezien heiligenverering van oudsher altijd een zeer lucratieve handel is geweest, is topsport ook handel geworden. Als de tv-stations met miljoenen smijten om uitzendrechten te bemachtigen omdat we zo graag topsport willen zien, dan is het big business. En big business is per definitie oneerlijk.

***

Waarom zijn we zo gek op topsport dat we straks, ondanks alle dopingschandalen, toch weer met miljoenen naar de Tour gaan kijken? Het antwoord op die vraag is volgens mij heel simpel: omdat sport – en sommige sporten in het bijzonder – ons diepste overlevingsinstinct aanspreekt. Het is erop of eronder, en dat is nu eenmaal een kwestie die ook voor onszelf, als het erop aankomt, veel belangrijker is dan de vraag of dat allemaal wel eerlijk gaat.

Laten we dus niet zo hypocriet doen over doping en erkennen dat wij, als op drama en strijd beluste sportliefhebbers, dat monster zelf gecreëerd hebben. Wij zijn nu eenmaal dol op wedstrijden die abnormale inspanningen vergen, zoals de Tour, de Giro en de Vuelta, en door onze massale belangstelling hebben we de prijs van de roem zo hoog opgejaagd dat zelfs de besten welhaast gedwongen zijn om naar speciale middelen te grijpen. Dat dat uiteindelijk leidt tot zoiets als een omertà in het peloton, en tot mafiose sporthelden als Armstrong, dat is niet de schuld van de renners.

Het is de vercommercialiseerde topsportcultuur die het gebruik van zulke middelen uitlokt: de vergoddelijking van de winnaars, de miljoenensalarissen, de prestatiedwang, de sponsoring, het reclamecircus eromheen. En het is vervolgens het verbod op die middelen dat tot hypocrisie onder de renners leidt. Maar zijn wij, de liefhebbers voor wie dat hele circus gecreëerd is, dan niet minstens even hypocriet als we langs de kant moord en brand schreeuwen over doping? Ga toch fietsen!

*)  Maar sinds de affaire rond Froome (2018) is daar ook wel het nodige op af te dingen.

(Voorjaar 2013)

 

 

 

Over de auteur

Piet Meeuse