A Tekstgrootte verkleinen. A Tekstgrootte herstellen. A Tekstgrootte vergroten.

Moderne mythen

M

1

Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in mythen, in de klassieke betekenis van het woord: oude verhalen over goden en helden, afkomstig uit schriftloze tijden of culturen. En wat mij daarin misschien het meest interesseerde was de ouderdom ervan, en de taaiheid waarmee ze zich, door de eeuwen heen, hebben gehandhaafd – eerst dankzij een mondelinge overlevering, van generatie op generatie, en later in geschreven vorm, in de ene bewerking na de andere, tot in de moderne literatuur toe.
Dat zijn verhalen die niet ontsproten zijn aan het brein van één auteur, maar die het product zijn van een hele reeks anonieme vertellers of zangers, of anders gezegd: het product van een collectieve verbeelding. Maar dat wil niet zeggen dat ze verzonnen zijn. Het zijn verhalen waarin herinneringen aan historische feiten en fantastische verzinsels versmolten zijn tot een geheel dat kennelijk zodanig tot de verbeelding spreekt, dat ze voortdurend opnieuw verteld worden en ondanks hun ouderdom toch hun actualiteit behouden. Er moet dus iets ‘waars’ in zitten. Of in ieder geval iets dat zijn waarde behoudt.
Maar zoals u weet heeft het woord mythe in de loop der tijd een heel andere betekenis gekregen. Tegenwoordig wordt het meestal gebruikt in ongunstige zin. Als wij van iets zeggen: ‘Dat is een mythe’, dan betekent het: dat is niet waar, dat is een misvatting. Wij gebruiken het woord dus in kritische zin, als de ontmaskering van een verhaal dat niet klopt, dat niet overeenstemt met de feiten.

Als ik het woord ‘mythe’ in die zin opvat, dan wemelt het ook in onze hedendaagse wereld nog van de mythen: verhalen waaraan veel mensen geloof hechten, maar waarvan kan worden aangetoond dat ze niet kloppen.
Maar ik heb moeite met die naar mijn idee al te simpele, ik zou haast zeggen: journalistieke opvatting van het begrip ‘mythe’. Die is geworteld in het moderne wantrouwen jegens die oude verhalen. Een wantrouwen dat dateert van de Verlichting, toen ze beschouwd werden als bizarre verzinsels van primitieve volkeren. Men kon er, om het populair te zeggen, ‘geen chocola van maken’, en dus werden ze gediskwalificeerd als onzin. Zo werd de term mythe synoniem met onwaarheid. Dat is wel ironisch als je bedenkt dat uit later onderzoek van antropologen is gebleken dat die mythen in archaïsche culturen juist fungeerden als dragers van de Waarheid bij uitstek.
Wat hier in het geding is, is dus een opvatting van waarheid. Sinds de opkomst van de moderne wetenschap zijn we gewend waarheid op te vatten als feitelijke juistheid. En als verhalen of theorieen dus aantoonbare onjuistheden of feitelijke onmogelijkheden bevatten, dan zijn ze onwaar en worden ze ‘mythen’ genoemd.
Maar de waarheid van de oorspronkelijke mythen was van een heel ander kaliber. Die waarheid werd geboren uit geloof. En dat soort waarheid heeft meer te maken met de menselijke psyche, en met de manier waarop de verbeelding antwoorden zoekt op existentiële vragen zoals ‘wie zijn wij?’ ‘Waar komen we vandaan?’ en ‘Wat is onze bestemming?’ In die waarheid speelt de wereld van de controleerbare feiten een ondergeschikte rol.

Iedereen met een beetje gevoel voor verhalen weet dat de overtuigingskracht van een verhaal niet schuilt in een juiste weergave van de feiten, maar in de kracht van het beeld dat het oproept. Wil een verhaal – of een voorstelling van zaken – werkelijk aanspraak kunnen maken op de term ‘mythe’, dan moet het iets bevatten dat boven de waarheid van de feiten uitgaat. En juist dat ‘iets’ geeft het zeggingskracht en maakt het populair. Een verhaal krijgt pas de status van een mythe wanneer we er een waarheid in herkennen die iets zegt over onszelf. Een mythe vindt zijn rechtvaardiging dus niet in de feiten, maar in behoeften van het publiek, waaraan het beantwoordt.
Die mythische kwaliteit staat op gespannen voet met het typisch moderne verlangen naar feitelijke juistheid. Het is de waarheid van de fictie tegenover de waarheid van de feiten. Een verhaal in de journalistieke zin is een verslag van de feiten: de poging om vast te stellen wat er werkelijk is gebeurd. Maar zo’n verhaal is altijd post factum, het holt achter de feiten aan, en ook al is het gebaseerd op bewezen feiten, het kan nooit meer zijn dan een voorstelling van zaken: het geeft een beeld.
En daar komt een andere factor in het spel: de verbeelding, die geen genoegen kan nemen met de feiten alleen. Bij het scheppen van een beeld treden andere wetten in werking, die zoals gezegd meer te maken hebben met de menselijke psyche dan met controleerbare feiten. Want een beeld overtuigt alleen wanneer het correspondeert met menselijke emoties – verlangens, angsten, hoop en/of vrees. Vandaar dat in elk goed verhaal de feiten ondergeschikt zijn – of gemaakt worden – aan de behoeften van verteller en/of publiek.

In plaats van een van de talloze populaire misvattingen te ontmaskeren als een ‘moderne mythe’ lijkt het me daarom interessanter, het begrip mythe iets serieuzer te nemen en te onderzoeken hoe historische feiten aanleiding kunnen geven tot mythevorming. Om te illustreren hoe historische gebeurtenissen kunnen veranderen in mythische verhalen geef ik twee bekende voorbeelden: de ondergang van de Titanic in 1912, en de aanval op de Twin Towers in 2001.

De ondergang van de Titanic is om meer dan een reden interessant, omdat dit voorbeeld laat zien dat die mythologisering niet noodzakelijk een kwestie van de lange termijn is, en ook niet noodzakelijk met mondelinge overlevering heeft te maken. In tegendeel: de schrijvende pers sprong er meteen bovenop en er is sindsdien een enorme stroom van publicaties over verschenen: fictie zowel als non-fictie. Overlevenden werden geïnterviewd, er werd onderzoeksjournalistiek aan gewijd, er werden romans over geschreven, films over gemaakt en zelfs een opera. De Titanic is een metafoor geworden. (Nog onlangs las ik in de krant een artikel over Rusland met als kop ‘Een Titanic op zoek naar een ijsberg’.)
Waarom sprak juist de ondergang van de Titanic zo tot de verbeelding dat dat verhaal mythische proporties kreeg? Hoeveel grote schepen waren er niet al eerder – en ook sindsdien – met man en muis vergaan zonder dat dat veel sporen naliet in de collectieve herinnering? Intussen zijn vrijwel alle mythische elementen van het verhaal door langdurig en zorgvuldig onderzoek ontkracht, maar dat neemt niet weg dat het nog steeds behoort tot de grote gebeurtenissen van de twintigste eeuw en als zodanig een inspiratiebron blijft voor steeds nieuwe bewerkingen.
Dat heeft natuurlijk te maken met het symbolisch gehalte van de gebeurtenis: in dit geval leverde de werkelijkheid een beeld dat zo sterk was, zo geladen was met symbolische betekenis, dat er nauwelijks nog iets aan hoefde te gebeuren. Het ging om de eerste reis, de maiden trip, van het grootste en meest luxueuze schip dat ooit was gebouwd. Dat het bovendien de megalomane naam Titanic droeg, en dat de bouwers hadden beweerd dat het ‘onzinkbaar’ was – dat waren natuurlijk details die erom smeekten uitvergroot te worden toen de ramp zich eenmaal had voltrokken. Daardoor werd het schip als vanzelf een symbool van de technologische hybris van de westerse wereld.
Daar komt nog bij dat zo’n groot schip – een drijvende stad – een afspiegeling is van de samenleving met zijn upper-, middle- en lower classes. En toen het op die feestelijke eerste reis midden in de nacht op een ijsberg voer en verging, was dat een gebeurtenis die allerlei latente angsten en onheilsverwachtingen wakker maakte. Het was 1912, twee jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die door vrijwel alle historici wordt gezien als de defintieve breuk met de wereld van de 19de eeuw. Oscar Spengler schreef al aan zijn Der Untergang des Abendlandes, waarvan het eerste deel in 1917 verscheen. En de Britse schrijver Osbert Sitwell beschreef de ramp dan ook als ‘a symbol of the approaching fate of Western Civilisation’.
Wat er nu precies wel of niet gebeurd is, is tegen deze achtergrond eigenlijk van ondergeschikt belang, want in het feit zelf van de ondergang van een reusachtig en pretentieus schip, op dat moment en onder die omstandigheden, lagen de mythische contouren al vast.
Of kapitein Smith werkelijk dronken was of niet, was van belang voor het bepalen van de schuldvraag, maar het is duidelijk dat voor de mythe een dronken kapitein natuurlijk veel interessanter was. Of dat orkest tijdens de ramp werkelijk het kerkgezang ‘Nearer, my God, to Thee’ heeft gespeeld is ook twijfelachtig, maar het past natuurlijk prachtig bij het dramatische moment, en verleent het een soort tragische grandeur. En dat de rijken zich gered zouden hebben ten koste van de armere passagiers is nog zo’n omstreden detail. Waar of niet –
het zijn details die het symbolische karakter van de gebeurtenis alleen maar verdiepten. Ze accentueerden in dit geval een drama dat kant en klaar aansloot bij een ‘Unbehagen in der Kultur’ dat al bestond.
Wat dit voorbeeld duidelijk maakt is dat onbetwistbare historische feiten heel gemakkelijk een mythische betekenis kunnen krijgen, mits ze aansluiten bij wijd verbreide gevoelens van angst of onlust die in een samenleving aanwezig zijn. Als ik de ondergang van de Titanic een ‘moderne mythe’ noem, bedoel ik dus niet dat het verhaal niet klopt, maar dat het zo sterk tot de verbeelding spreekt, dat het de historische feiten ontstegen is en een ‘tijdloze’ betekenis heeft gekregen die nog altijd aanleiding geeft tot nieuwe bewerkingen en interpretaties.

Met het tweede voorbeeld komen we nog dichter bij huis. De beelden van de vernietiging van de Twin Towers in 2001, rechtstreeks uitgezonden op tv, staan nog op ieders netvlies. Dit was een gebeurtenis waarvan iedereen ook onmiddellijk begreep dat ze enorme consequenties zou hebben, een historisch moment dat de wereld zou veranderen. We zijn nu negen jaar verder en inmiddels weten we dat de War on Terror die er het gevolg van was heeft geleid tot twee uitzichtloze oorlogen, in Irak en Afghanistan, en tot een islamofobie die het politieke landschap in de westerse wereld ingrijpend heeft veranderd.
Er zijn trouwens een paar opvallende overeenkomsten met het verhaal van de ondergang van de Titanic. In beide gevallen ging het om de ondergang van trotse symbolen van de westerse beschaving, en in beide gevallen kwam die ondergang plotseling en onverwacht.
Ook vielen er in beide gevallen veel slachtoffers. De symboliek van die gebeurtenis in 2001 was daarom ook meteen duidelijk: het machtigste land ter wereld was in het hart getroffen door een onzichtbare vijand – even onzichtbaar en verraderlijk, zou je kunnen zegen, als de ijsberg die de Titanic noodlottig werd.
En ook in dit geval verhinderden de feiten niet dat er onmiddellijk een mythologiseringsproces op gang kwam. In tegendeel zelfs: juist door het onderzoek naar de feitelijke toedracht kwamen er allerlei feiten aan het licht die voedsel gaven aan de meest wilde speculaties en complottheorieën. En als we het hebben over ‘moderne mythen’ is dat een interessant gegeven. In een tijd die er prat op gaat met computertechnologie een revolutie in de communicatie te hebben veroorzaakt, blijkt die razendsnelle communicatie, die ‘free flow of information’ dat niet te kunnen voorkomen. In tegendeel: ze heeft de verwarring tussen feit en fictie alleen maar vergroot. Zodat de jacht op de feiten achter deze aanslag zelfs kon leiden tot zeer gedetailleerde en gedocumenteerde onderzoeken die tot de conclusie kwamen dat de Amerikaanse regering zelf achter de aanslag moest zitten.
Hoe dan ook: de aanslag op de Twin Towers heeft onze blik op de wereld veranderd. De Verenigde Staten zijn niet langer de onaantastbare superpower die ze sinds de Tweede Wereldoorlog waren, en sindsdien weten we ook dat we nergens in het Vrije Westen gevrijwaard zijn van terreuraanslagen (zoals sindsdien door de aanslagen in Madrid en Londen, en talloze verijdelde aanslagen, is bevestigd). Bovendien is een schimmige organisatie als Al Qaida in de publiciteit opgeblazen tot demonische proporties en is de immigratie uit islamlanden tot een heet hangijzer geworden dat de politieke verhoudingen in de westerse wereld grondig verstoort. De invloed van die aanslag is zelfs zo groot dat die datum (‘nine eleven’) als het ware het nulpunt is geworden van een nieuwe tijdrekening: vrijwel alle beschouwingen over de actuele wereld nemen die datum als een beslissend keerpunt en het begin van een nieuw tijdperk.

Wat deze twee historische gebeurtenissen laten zien is dat hun symbolische betekenis vele malen groter is de droge feiten kunnen rechtvaardigen. Er zijn sindsdien vele rampen gebeurd die evenveel of nog veel meer slachtoffers eisten – maar die zijn na een kortstondige consternatie alweer vergeten. In de oorlogen in Irak en Afghanistan zijn inmiddels onevenredig veel meer doden gevallen dan bij de aanval op de Twin Towers, maar die zijn voor de statistieken. Die moeten het doen zonder zo’n dramatisch verhaal.

Het kenmerkende van zo’n mythologiseringsproces is dat de feiten die het uitgangspunt vormen, ondergeschikt raken aan de betekenis die we eraan hechten. Anders gezegd: er zijn gebeurtenissen en feiten die zo’n krachtige symbolische lading hebben (of suggereren) dat ze onze blik op de werkelijkheid kunnen veranderen. Wanneer dat het geval is, kunnen ze zelfs het verloop van de geschiedenis bepalen. Zo bracht bijvoorbeeld de kruisiging van joodse prediker in Palestina een beweging op gang die uiteindelijk de geschiedenis van Europa ingrijpend heeft vormgegeven. Toch was die terechtstelling op zichzelf niks bijzonders: er zijn in de oudheid vele duizenden mensen gekruisigd zonder dat ze een spoor in de geschiedenis hebben nagelaten. Maar deze ene kruisiging werd bijzonder doordat de volgelingen van die prediker er een speciale, religieuze betekenis aan hechtten, die in de loop van een paar eeuwen zoveel mensen overtuigde, dat het christendom in 310 tot staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk werd verheven.
En zo zal in de geschiedenis van de 21ste eeuw, die nog maar net is begonnen, naar het zich laat aanzien de aanslag op de Twin Towers een bepalende rol spelen. Niet omdat er twee torens instortten en bijna drieduizend mensen omkwamen – niet vanwege de barre feiten dus – maar omdat het juist die torens waren, op die plek, en vooral omdat de manier waarop het gebeurde (een aanslag met vliegtuigen, en live op tv) een enorme indruk maakte. Dat bepaalde de symboliek van de gebeurtenis.

Opmerkelijk aan de twee voorbeelden die ik gekozen heb is dat ze beide appelleren aan ondergangsfantasieën: het is de angst voor een ondergang van de westerse beschaving die ze hun symbolische lading verleent. Zo kregen ze hun mythische status, die garandeert dat er tot in lengte van dagen over geschreven en nagedacht en gefantaseerd zal worden.

2

Maar met welk recht noem ik deze twee historische gebeurtenissen ‘moderne mythen’? Moet je historische gebeurtenissen niet onderscheiden van de geruchten en de misverstanden die erover bestaan – en alleen die laatste ‘moderne mythen’ te noemen? Dat zou in elk geval beter aansluiten op het hedendaagse gebruik van het woord mythe: een wijd verbreide voorstelling van zaken die niet klopt.
Dat zou inderdaad veel beter, want duidelijker zijn, – àls het mogelijk was feit en fictie duidelijk van elkaar te scheiden. Maar mijn punt is nu juist dat dat niet mogelijk is. Wat journalisten en historici kunnen doen is door middel van nauwkeurig onderzoek onbekende feiten aan het licht brengen, en vermeende feiten ontzenuwen en ontmaskeren als verzinsels. Maar wat ze niet kunnen is: die feiten tot een verhaal maken zonder er een betekenis aan toe te kennen.

Een dorre opsomming van gedocumenteerde feiten is geen verhaal. Het wordt pas een verhaal als die feiten met elkaar in verband gebracht worden op een manier die er betekenis aan geeft. En als we willen onthouden wat er gebeurd is, als die gebeurtenisseneen plaats willen krijgen in ons collectieve geheugen, dan moet er een verhaal van gemaakt worden: een betekenisvol geheel. Maar die betekenis is per definitie fictie. Zodra iemand gebeurtenissen navertelt, en er dus een verhaal van maakt, versmelten de feiten tot fictie. Dat wil zeggen: tot een interpretatie van die gebeurtenissen. En elke interpretatie blijft in principe aanvechtbaar.
Als ik dus de ondergang van de Titanic en de aanslag op de Twin Towers ‘moderne mythen’ noem, is dat geen ontkenning van die historische gebeurtenissen, en ik wil ook niet beweren dat wij van die gebeurtenissen een totaal verkeerde voorstelling hebben. Ik wil daarmee alleen aangeven dat het historische gebeurtenissen zijn die een mythische dimensie hebben gekregen: het zijn verhalen geworden die zo sterk tot de (collectieve) verbeelding spreken dat ze stof leveren voor ontelbare nieuwe verhalen, bewerkingen en interpretaties.

Ik denk dat de twee genoemde gebeurtenissen – juist omdat ze nog betrekkelijk recent en goed gedocumenteerd zijn – ons een aardig inzicht kunnen geven in de manier waarop historische gegevens, naarmate ze verder in het verleden liggen, meer en meer ten prooi vallen aan een proces van fictionalisering. Daar is geen ontkomen aan: zo lang wij de herinnering aan het verleden levend willen houden, zal het naverteld moeten worden. En elke navertelling zal de feiten weer in een iets ander licht laten zien.
Het verleden is een conglomeraat van verhalen, en die verhalen evolueren. Hoe dramatischer die verhalen, of hoe dwingender hun symbolisch gehalte, hoe meer narratieve energie erin gestoken zal worden om ze hun plaats en betekenis in het geheel van de geschiedenis te geven. Wat dat betreft zou je – terugkijkend met de kennis van nu – kunnen zeggen dat de ondergang van de Titanic niet meer was dan een prelude op de ondergang van de Twin Towers, waarvan we de historische consequenties nog niet kunnen overzien.

Hoe dan ook: de eendimensionale waarheid van de feiten zal ondergeschikt gemaakt worden aan de meerdimensionale waarheid van de mythe, die vele interpretaties kent. Daarom voldoet naar mijn gevoel die journalistieke opvatting van de mythe als een populaire misvatting niet. Een mythe is iets veel gecompliceerders en interessanters dan een ‘onjuiste voorstelling van zaken’. Want een mythe weerspiegelt juist in de vertekening van de feiten de werkelijkheid waarin men wil geloven. Wie dat geloof alleen maar wil bestrijden en ontmaskeren, neemt het niet serieus genoeg.
Je zult je moeten afvragen waarom men dat zo graag wil geloven. Aan welke verlangens, angsten of behoeften komt het tegemoet? Als de Iraanse regeringsleider Ahmadinejad, in zijn toespraak tot de Verenigde Naties in 2010, dankbaar gebruik maakt van de complottheorie volgens welke de Amerikaanse overheid zelf de aanslag op de Twin Towers heeft georganiseerd, dan is dat omdat het zijn beeld van Amerika als de ‘Grote Satan’ bevestigt, en tegelijkertijd de politieke Islam niet alleen van alle schuld vrijpleit, maar ook nog als slachtoffer van doortrapte intriges voorstelt. Het is, kortom, een ideale bevestiging van zijn wereldbeeld.
En zelf zijn wij natuurlijk geen haar beter: ook wij gaan vaak zo met historische feiten om: we maken er een verhaal van dat past in ons wereldbeeld. Dat betekent dat we bepaalde feiten zullen benadrukken, en andere, die niet zo goed in onze kraam te pas komen, zullen negeren of verdoezelen.

De enige onomstotelijke waarheid van het verleden is dat het voorbij is. En wat voorbij is, kan alleen bewaard blijven in de vorm van verhalen. (Natuurlijk: ook monumenten, tempelruïnes, kathedralen en teruggevonden gebruiksvoorwerpen getuigen van het verleden, maar voorzover die er nog steeds zijn, behoren ze tot het heden. Hetzelfde geldt voor foto’s. Wil je het verleden daarin terugvinden, dan moet het toch weer de vorm van een verhaal aannemen.)
Maar moet er dan geen onderscheid gemaakt worden tussen fictie en non-fictie? Het is toch duidelijk dat er een groot verschil bestaat tussen verzonnen verhalen en de waargebeurde verhalen die we geschiedenis noemen?
Zeker – alleen bewijst de praktijk dat het onmogelijk is een duidelijke grens te trekken tussen fictie en non-fictie. *) Vandaar dat er zelfs in het geval van fictie vaak expliciet bij gezegd wordt dat het om fictie gaat (denk maar aan de bekende formule in romans dat ‘iedere gelijkenis met bestaande personen’ op toeval berust). Of dat het een zogeheten ‘waargebeurd’ verhaal betreft, want het is heel goed mogelijk fictie het aanschijn van non-fictie te geven, en omgekeerd. Het is, kortom, een onderscheid dat alleen in theorie bestaat.
Het verhaal dat wij ‘geschiedenis’ noemen is een verhaal dat voortdurend herschreven wordt. Niet alleen omdat we steeds nieuwe feiten ontdekken, en vermeende feiten niet blijken te kloppen, maar ook en vooral omdat die geschiedenis onze geschiedenis is: een product van het heden dat in het verleden altijd een rechtvaardiging zoekt voor zichzelf. Iedereen weet immers dat de geschiedenis altijd geschreven wordt door de overwinnaars? En dat zijn niet alleen de machthebbers, maar in veel bredere zin ook de nabestaanden, de levenden. Degenen die nu leven. Wijzelf dus.
De zee van de voorbije feiten is dus voortdurend in beweging. En als er in dit verband sprake zou zijn van een moderne mythe in de zin van een populaire misvatting, dan is dat vooral het idee dat een mythe niet meer zou zijn dan een onwaarheid of een betreurenswaardig misverstand.
Ik geloof, eerlijk gezegd, dat mythen, juist in de mate waarin ze aantoonbaar onjuist zijn, een andere waarheid onthullen. Namelijk dat we veel ontvankelijker zijn voor de suggestieve kracht van een verhaal dan voor waarheid van de feiten waarop het gebaseerd heet te zijn. Mythen leveren beelden die ons overtuigen omdat ze appelleren aan diepgewortelde angsten of verlangens in onszelf. Ze zijn een spiegel van wat wij hopen of vrezen. Daarin schuilt hun kracht en hun waarheid – en nergens anders in. Dat is ook de reden waarom mythen onuitroeibaar zijn. Maar in plaats van er zonder meer geloof aan te hechten of ze achteloos te verwerpen als onzin, doen we er beter aan ze tegen het licht van die innerlijke waarheid te houden.
Ook al hebben ze hun wortels in historische gebeurtenissen – hun betekenis ligt in iets anders. Vaak was er een eeuwenlange bewerking voor nodig om herinneringen aan gebeurtenissen om te smelten tot een min of meer fantastisch, maar betekenisvol verhaal (denk aan de oude mythen over de zondvloed of de Trojaanse oorlog). Maar soms biedt de werkelijkheid een constellatie van feiten aan die zo direct tot de verbeelding spreekt dat er nauwelijks meer iets aan hoeft te gebeuren: we zijn allemaal getuige geweest van de instorting van de Twin Towers en we hebben meteen begrepen dat dit een gebeurtenis was die onze wereld definitief zou veranderen. Hoe dat uitpakt zal nog moeten blijken. Maar nu al hebben ze een symbolische betekenis die die van de mythische Toren van Babel naar de kroon steekt.

*) Zodra er verteld wordt, in welke vorm dan ook, is er sprake van fictie, ook al gaat het over waargebeurde feiten. Omdat het formuleren van een zin al het toekennen van betekenis impliceert. En dus interpretatie is. Non-fictie is daarom strikt genomen een non-begrip, zoals het voorvoegsel al doet vermoeden.

Over de auteur

Piet Meeuse