A Tekstgrootte verkleinen. A Tekstgrootte herstellen. A Tekstgrootte vergroten.

TWEE OVERLEVINGSSTRATEGIEËN

T

Over techniek en mythologie

1. Donder en bliksem

Toen Benjamin Franklin in 1752 de bliksemafleider uitvond, werd die vinding door de geestelijkheid in Engeland en Amerika krachtig veroordeeld als een schandelijke poging om de wil van God te doorkruisen. Hij gebruikte de bliksem immers om goddelozen of zware zondaars te straffen, en als Benjamin Franklin die bliksem onschadelijk maakte, dan hielp hij misdadigers hun straf te ontlopen. Maar volgens Dr. Price, een theoloog uit Boston, wist God wel raad met de situatie: de aardbevingen waardoor Massachusetts werd getroffen waren volgens hem Gods wraak voor het onschadelijk maken van zijn bliksems. In Boston waren er meer bliksemafleiders geïnstalleerd dan elders, en Boston werd dan ook zwaarder getroffen.
“Het schijnt echter,” gaf Bertrand Russell een paar eeuwen later als commentaar, “dat de Voorzienigheid alle hoop om Boston van haar verdorvenheid te genezen liet varen, want hoewel er meer en meer bliksemafleiders kwamen, zijn aardbevingen in Massachusetts zeldzaam gebleven.”
Deze ironische reactie van Russell op Price komt ons waarschijnlijk vertrouwder voor dan de theologische kritiek op Franklins uitvinding. Russell bespot het mythologische karakter ervan – dat volkomen voorbijgaat aan de zuiver praktische en technische aard van de uitvinding. Het is de reactie van een nuchtere, wetenschappelijke geest uit de twintigste eeuw op de theologische verontwaardiging van een achttiende-eeuwse dominee. En inderdaad, de reactie van dominee Price op de bliksemafleider van Franklin is mythologisch van aard: voor hem betekende de bliksem iets heel anders dan voor Franklin. Het was in zijn ogen niet zomaar een natuurverschijnsel dat je kunt onderzoeken, maar een manifestatie van goddelijke almacht. Iets heiligs, en dus rust er een taboe op. Beter gezegd: voor hem betekent de bliksem iets, voor Franklin is ze iets dat onderzocht kan worden.

Dat is het verschil tussen een mythologische en een technische benadering van de wereld. De introductie van technische nieuwigheden is altijd gepaard gegaan met dergelijke mythologische reacties. Er bestaan honderden soortgelijke anekdotes met betrekking tot allerlei uitvindingen. Zo is er het verhaal over de middeleeuwse geleerde Albertus Magnus en zijn leerling Thomas van Aquino, waarin de laatste het laboratorium van zijn leermeester betreedt en daar door een soort robot met een drievoudig “Salve!” wordt begroet. Thomas denkt dat hij van doen heeft met een duivelse verschijning, grijpt een stok en slaat het apparaat in gruzelementen. Als Albertus ziet wat Thomas heeft aangericht, roept hij uit: “Thomas, Thomas! Wat heb je gedaan? In je onwetendheid heb je moedwillig een stuk werk vernietigd waaraan ik het beste deel van mijn leven heb gespendeerd!’
Ook uit latere eeuwen zijn er tal van voorbeelden: van de gasverlichting, die in 1838 door de paus werd veroordeeld als een duivelse uitvinding, tot de stoomtrein, die vergeleken werd met het Beest uit de Openbaringen, werden technische vernieuwingen steeds weer op een soortgelijke, ambivalente wijze tegemoet getreden. Enerzijds bewondering en enthousiasme, anderzijds schrik, afwijzing en onheilsprofetieën.
En in de twintigste eeuw was dat trouwens niet anders: radio, televisie en de computer zijn evengoed met zulke reacties ontvangen en al wordt er niet meer zo kwistig met God en Duivel geschermd als vroeger, onheilsprofeten zijn er nog steeds genoeg. Heilsverkondigers trouwens ook, want de techniek kent haar eigen apologeten, die er niet voor terugschrikken het paradijs op aarde te beloven. En ook dat is uiteraard mythologie. (De evangelisatiecampagne rond het internet die ons nog vers in het geheugen ligt, was ook een sterk staaltje.)

Het voorbeeld van de bliksemafleider van Benjamin Franklin is instructief omdat er een imponerend en angstaanjagend natuurverschijnsel in het geding is, dat om die reden sinds onheugelijke tijden met de macht der goden in verband was gebracht: de bliksem was al het geduchte wapen van oude goden als Zeus of Thor, en de christelijke God, zo blijkt, was niet zo christelijk of hij wist het ook te hanteren. Wanneer zo’n met heilig ontzag bejegend hemelverschijnsel dan tot een verklaarbaar en beheersbaar fenomeen wordt gereduceerd, is het niet zo vreemd dat dat als een daad van heiligschennis wordt ervaren. Het is een inbreuk op de mythologische visie op de natuur, waarin al het bestaande geregeerd wordt door hogere machten.
Toch is het niet zo dat een mythologische en een technologische visie op natuurverschijnselen elkaar per definitie uitsluiten. De ironie van Bertrand Russells commentaar klinkt zo vertrouwd dat je haast zou vergeten dat ook wij nog steeds behoefte hebben aan duiding en interpretatie. We mogen dan afgerekend hebben met theologische interpretaties van natuurverschijnselen, maar hoe zien we onze eigen rol in de natuur?
De geschiedenis van wetenschap en techniek, bijvoorbeeld, vraagt op haar beurt ook om duiding en interpretatie, waarbij het mythologische element onvermijdelijk opnieuw om de hoek komt kijken.
Dat is goed te illustreren met de beschouwing die Ernst Jünger wijdde aan de betekenis van diezelfde bliksemafleider in een historisch perspectief. In zijn essay An der Zeitmauer (1959) noemt hij de installatie van de eerste bliksemafleider in 1752 een belangrijke gebeurtenis, niet alleen in de geschiedenis van de mens, maar meer nog in de geschiedenis van de aarde. Hij beschouwt de menselijke geschiedenis als niet meer dan een onderdeel van de veel omvattender en verderreikende geschiedenis van de aarde. En hij interpreteert het ontstaan van de moderne techniek in dit kader: Jünger ziet titanische krachten aan het werk in de techniek. Hij spreekt van een ‘Antaïsche onrust’ die bezit neemt van de planeet.(Antaios was een mythische held: de zoon van Poseidon en Gaia, die onoverwinnelijk was zolang hij met zijn voeten contact hield met Moeder Aarde).
Voor Jünger begint de geschiedenis van de elektriciteit met de bliksemafleider: ‘Mythologisch gezien is dit een eerste signaal van de titanische opstand, een nieuw verzet van de Oermoeder tegen de Alvader.’ En in tegenstelling tot de revolutionaire effecten van de stoommachine, die op sociaal en economisch gebied onmiddellijk merkbaar werden, voltrekt de revolutie van de elektrificering zich veel minder waarneembaar. Maar ze is minstens zo ingrijpend: ‘Die Beherrschung der physikalische Gesetze steigt aus der blossen Mechanik in die feineren regionen des Magnetismus, der Optik und der Akustik hervor. Die Materie wird nun nicht nur in Massen, sonder auch innerhalb der Massen bewegt.(…) Hier vollzieht sich ein neuer Akt der Selbsterkenntnis, der Selbstbefreiung, und zwar nicht nur des Menschen, sondern auch der Materie.’
Verving de stoomenergie de menselijke spierkracht, de elektrische energie, die zich over de aarde uitstrekt in steeds fijnmaziger netwerken van draden en kabels, is analoog aan het zenuwstelsel en de zintuigen: ‘Die Apparate ahmen Augen, Ohren, Kehlköpfe nach. Sie senden Signale, Worte, Bilder, Farben auf astronomische Entfernungen.’ Hij spreekt zelfs van een ‘Vergeistigung innerhalb der technische Welt’.
En met deze technische ontwikkelingen corresponderen volgens Jünger ook sociale en politieke: Franklin, de uitvinder van de bliksemafleider, was ook een van de vaders van de moderne democratie, en zoals de titanische stoomkracht de sociale massabewegingen van de 19de eeuw voortbracht, zo zorgt de elektriciteit in de 20ste voor de ‘Einschmelzung der Individuen in das technische Kollektiv.’ (p.177)
Dit alles staat volgens Jünger dus in het teken van de ‘Antaiische Unruhe’ die bezit neemt van de aarde: de materie zelf begint te gloeien en komt tot leven. Een nieuwe periode in de ‘aardgeschiedenis’ staat voor de deur, waarin de mens misschien nauwelijks nog een rol zal spelen. (Dat is ook de betekenis van het woord ‘Zeitmauer’ in de titel van het essay: de ontwikkelingen gaan zo snel en zijn zo ingrijpend en onvoorspelbaar dat de tijd het karakter van een muur aanneemt: we kunnen er niet doorheen kijken, en aan gene zijde van de muur zal alles onherroepelijk anders zijn.)
Voor Ernst Jünger is de bliksemafleider dus ook veel meer dan gewoon een technisch apparaatje: hij markeert het begin van de beheersing van nieuwe natuurkrachten. En meer nog: van een mobilisering van die krachten die een nieuwe fase inluidt in het bestaan van de aarde – een onderdeel van wat hij de ‘Erdvergeistigung’ noemt, een proces waarin de mens niet meer dan een tijdelijke, dienende rol speelt.

Zo’n duiding is ook mythologisch van aard, niet zozeer omdat hij namen en begrippen uit de Griekse mythologie benut, maar omdat hij de historische ontwikkeling van de elektrotechniek een betekenis toekent die de feiten in een zinvol verband plaatst: hij schetst een beeld van grote historische samenhangen. Hij interpreteert. Dat is wat ik mythologie noem: een netwerk van betekenissen, gesticht vanuit de behoefte om te begrijpen wat ons overkomt. Het grote verschil met dominee Price is, dat hij zich van een oordeel onthoudt. Hij verdedigt geen bestaande mythologie, maar probeert veeleer een nieuwe te scheppen (al gebruikt hij daarbij de oude).
De onttovering van de wereld door wetenschap en techniek mag ons dan veel geleerd hebben over de materiële aard en functie van natuurverschijnselen, maar op de fundamentele vragen over ons eigen bestaan kan ze geen bevredigende antwoorden geven. Toch hebben we zulke antwoorden blijkbaar nodig en dus blijven we zoeken naar een ‘verhaal’ waarin alles zijn plaats en betekenis krijgt. Men zegt vaak dat de moderne wetenschap onze ideeën over de natuur ‘ontmythologiseerd’ heeft, en dat is natuurlijk ook zo. Maar het is een misverstand te denken dat wetenschap en technologie onze hang naar mythologisering overbodig kunnen maken. Het tegendeel is eerder het geval: naarmate de technologie ons leven meer beïnvloedt, wordt de behoefte aan verbanden die het leven inhoud en betekenis geven, alleen maar groter.

Mythologie is dus niet minder actueel en springlevend dan technologie. En de technische denkwijze is ook niet per se superieur is aan de mythologische. De ironie van Bertrand Russells commentaar op dominee Price wekt wel die indruk, maar dat was zo’n twee eeuwen later scoren voor open doel: als het om de analyse en verklaring van natuurverschijnselen gaat, kan de mythologie zich inderdaad niet meten met de wetenschap. Maar waarom stortte diezelfde Russell zich op een gegeven moment in de politiek en werd hij vredesactivist? Dat laat zich niet verklaren uit de superioriteit van het technisch-wetenschappelijk denken, maar juist uit zijn inzicht in de beperkingen daarvan. Uit opvattingen over het menselijk bestaan die niets met wetenschap of techniek, maar alles met persoonlijke betrokkenheid en met geloof in bepaalde waarden te maken hebben
Zodra je je ook maar een beetje betrokken voelt bij de wereld om je heen, moet je al concessies doen: dan is een zuiver rationele verhouding tot de dingen al niet meer mogelijk. Dan beginnen menselijke realiteiten als verknochtheid aan tradities, liefde, haat, mededogen, respect of angst een rol te spelen. Je bent dan geen afstandelijke beschouwer meer, geen buitenstaander, maar wordt een speler in het spel. Dan moet je keuzes maken. En daarbij kun je niet buiten een of andere vorm van mythologie: je moet een beeld hebben van wat er op het spel staat. Iedereen hanteert hoe dan ook een waardenschaal, gebaseerd op een hiërarchie van betekenissen die we aan de dingen toekennen.

In de praktijk van het dagelijks leven ontkomt niemand dus aan een zekere mate van mythologisering. Het meest uitgesproken voorbeeld daarvan is een fenomeen als verliefdheid. De geliefde is een mythologische figuur: een willekeurig iemand krijgt in de ogen van de verliefde opeens zoveel betekenis, dat hij of zij anders wordt dan alle anderen. Het geïdealiseerde beeld dat de verliefde van zijn geliefde koestert krijgt tijdelijk een zo dwingende betekenis dat al het andere daaraan ondergeschikt wordt gemaakt. Objectief gezien is dat iets onzinnigs (vandaar het gezegde dat liefde blind maakt), maar dat maakt de ervaring niet minder reëel.
En niet alleen personen, ook zaken kunnen het object zijn van sterke gevoelens als liefde en haat. De verknochtheid van boeren aan hun land, hun vee of hun overgeërfde boerderij is al bijna een archaïsch voorbeeld. Maar de liefde van motorrijders voor hun metalen monster doet daar nauwelijks voor onder, en ook de gevoelens van truckers voor hun vrachtwagen bereiken niet zelden een verbazingwekkende graad van innigheid. Blijkbaar kan dus ook techniek het voorwerp worden van onze neiging tot mythologisering. Laat een Harley-Davidsonliefhebber maar eens een middagje praten over zijn motor en het wordt volstrekt duidelijk dat mythologie en techniek geen gescheiden werelden zijn, maar innig met elkaar verweven: zijn motor betekent veel meer voor hem dan een niet-motorrijder kan bevroeden.
Wat dat betreft is Zen of de kunst van het motoronderhoud, de bestseller van Pirsig uit de jaren zeventig, nog altijd een interessant boek. Het tekent het portret van zo’n motorliefhebber, en het is misschien geen toeval dat deze man, die zoveel verstandige en boeiende dingen weet te zeggen over de omgang met techniek, de grootste moeite heeft om contact te krijgen met zijn zoontje die hem vergezelt. Hij is een loner, een einzelganger, verstrikt in zijn eigen gedachten. Zijn contacten met de mensen in zijn omgeving verlopen vaak moeizaam en zijn liefdevolle relatie met zijn motor heeft onmiskenbaar iets plaatsvervangends. De wereld van de techniek is voor hem toegankelijker dan die van de mensen: zij biedt hem de troost van een begrijpelijk systeem, waarin hij de weg kent en waarmee hij uit de voeten kan. Het geduld en de aandacht die hij kan opbrengen voor zijn motor zijn lonend – terwijl hij in de omgang met zijn zoontje een onhandige en hulpeloze indruk maakt.
Ondanks alle behartenswaardige dingen die hij zegt over de juiste omgang met techniek is de indruk die deze hoofdpersoon bij herlezing op mij maakte er een van schoolmeesterachtige pedanterie: hij is zo totaal gefixeerd op zijn eigen gedachten, dat hij niet in staat is een goede relatie met zijn zoontje op te bouwen. Het feit dat hij alleen tot rust komt en troost vindt in de verzorging van zijn motor spreekt boekdelen.
Je ziet dat wel vaker: het zijn niet zelden wat introverte figuren, mensen die moeite hebben met sociaal verkeer, die zich met grote overgave wijden aan techniek. Zij zijn ook eerder dan andere mensen geneigd, er de oplossing van alle problemen van te verwachten. En dat kan er weer toe leiden dat zulke mensen nieuwe technische ontwikkelingen, zoals internet en cyberspace, sterk idealiseren en mythologiseren: ze hechten er grote betekenis aan (de betekenis die ze in hun persoonlijke relaties waarschijnlijk missen, projecteren ze dan op een toekomst waarin het internet een einde zal maken aan alle eenzaamheid, alle ongelijkheid, etcetera) en die overschatting van de mogelijkheden van de techniek gaat steevast samen met een naïeve onderschatting van de hardnekkigheid van menselijke tekortkomingen.
Op die manier lopen in onze omgang met techniek het rationele en het irrationele onontwarbaar door elkaar. Mensen bestaan nu eenmaal niet louter uit analytisch verstand, maar hebben ook te kampen met driften en emoties, en kunnen niet buiten betekenis. En zo zullen ook onze opvattingen over techniek onvermijdelijk gekleurd worden door mythologisch denken.

Het probleem dat ik hier probeer te schetsen is dus dat ons leven beheerst wordt door twee manieren van denken die fundamenteel van elkaar verschillen, maar ook door elkaar heen lopen. Ze staan niet netjes tegenover elkaar, maar beïnvloeden elkaar voortdurend – en op alle niveau’s van ons dagelijks leven.
Het technische denken is praktisch van aard: het is geboren uit onze directe omgang met de dingen en is gericht op praktisch resultaat. Het vraagt niet naar de betekenis van de dingen, maar is alleen geïnteresseerd in de manier waarop we er gebruik van kunnen maken. Daarom wil het weten hoe de dingen in elkaar zitten en hoe ze werken. Het is een denken dat draait om kunnen, om beheersing. Om de vraag hoe je je wil kunt opleggen aan de dingen, situaties of personen waarmee je te maken hebt.
Hoe verhoudt zich dat tot het mythologisch denken?
Dat komt voort uit een heel andere behoefte: de behoefte om de wereld te begrijpen, om zich deel te weten van een groot geheel. Het is een denken dat zich een voorstelling probeert te maken van dat geheel en van onze plaats daarin. Het staat niet direct in dienst van het handelen, maar is in de eerste plaats beschouwend. Het is niet logisch en analytisch, zoals het technische denken, maar analogisch en beeldend. En zodra onze verbeelding actief wordt, projecteren we altijd ook onze eigen emoties (verlangen, angst, hoop, etcetera) in het beeld dat we scheppen. In de mythologie van onze beeldvorming – hoe objectief die ook probeert te zijn – ontsnappen we dus nooit aan onszelf. Hier zijn we nooit alleen maar bezig met de dingen (de wereld buiten ons), maar vooral ook met onszelf – ook al is dat onbewust.
Het ligt voor de hand dat dat een manier van denken is, die nooit zal leiden tot de praktische resultaten waarop het technisch denken kan bogen. Maar daar staat tegenover dat het iets kan dat buiten het bereik van het technisch denken ligt. Het kan ons inzicht geven in onze drijfveren, en dat is van belang om onze verhouding tot techniek te begrijpen.

Kennis – en zeker zelfkennis – is iets veel dubbelzinnigers dan kunde. Dat wordt ook uitgedrukt in een linguïstische verschil tussen de werkwoorden ‘kennen’ en ‘kunnen’: werkwoorden als ‘erkennen’, ‘herkennen’, ‘bekennen’, ‘verkennen’, ‘miskennen’ en ‘ontkennen’ zijn allemaal afgeleid van ‘kennen’, maar dergelijke afleidingen of nuanceringen ontbreken bij het werkwoord ‘kunnen’. Het ene werkwoord laat dus allerlei modificaties toe die niet mogelijk zijn bij het andere.
De bewijskracht van dergelijke verschillen is natuurlijk gering (wat voor de ene taal geldt, geldt niet in de andere), maar toch – het lijkt me op zijn minst een indicatie voor een belangrijk verschil: kunnen heeft betrekking op mogelijkheden. Iets kan of iets kan niet. Meer opties zijn er niet. En het functioneert, veelbetekenend, meestal als een hulpwerkwoord bij andere werkwoorden: het heeft dus betrekking op handelingen.
Bij kennen ligt dat blijkbaar anders: kennen is veel minder eenduidig. Je kunt iets ontkennen, maar ook iets erkennen of bekennen, en daarnaast kun je ook nog iets verkennen of herkennen. Het kennen heeft dus allerlei modaliteiten die het kunnen niet heeft, en dat is alleen maar te verklaren uit het feit dat het – anders dan kunnen – een psychisch fenomeen aanduidt. Als het over kennen gaat, zijn er veel meer variaties mogelijk, die verschillende vormen van inzicht (of houdingen die daaruit voortvloeien) aanduiden.
Voor de technicus zijn al deze verschillende modificaties niet relevant: hij wil alleen weten of iets kan of niet kan. Zijn technische kennis moet tot praktische toepassingen leiden en zijn kunde beperkt zich tot de wereld van de dingen. Maar als dezelfde technicus aan de liefde van zijn vrouw begint te twijfelen, heeft hij niets aan dat soort kennis en kunde. Dan vraagt hij zich af of hij zijn vrouw eigenlijk wel kent. Dan herkent hij bepaalde patronen in haar gedrag die hij zich ook uit eerdere relaties herinnert. Dan wantrouwt hij haar ontkenningen, en misschien bekent hij zichzelf dan wel dat hij eerdere signalen van haar ontrouw heeft miskend. Etcetera. Dan raakt hij, met andere woorden, verstrikt in de onzekerheden die menselijke betrekkingen kenmerken. Arme technicus! Als hij in zulk zwaar weer terechtkomt, kun je alleen maar hopen dat hij zo rationeel zal zijn om in elk geval niet zijn kinderen als bliksemafleider te gebruiken…
Pardon?
Ja, inderdaad: uit deze laatste beeldspraak blijkt dat de techniek op haar beurt ook weer dienen kan als metafoor om emotionele problemen te verhelderen. Zo kan een technisch gegeven ook weer een mythologische functie krijgen.
Het is het denken in beelden dat aan de basis ligt van ons mythologisch denken: zoals ooit, in de oertijd, de bliksem geïnterpreteerd werd als het schrikwekkende, dodelijke wapen van een toornige god, en de donder als de verpletterende kracht waarmee hij het hanteerde, zo gebruiken we nu even gemakkelijk het beeld van de bliksemafleider voor iemand die het slachtoffer wordt van een woede-uitbarsting, terwijl die woede eigenlijk op iets of iemand anders was gericht. De kern van het beeld – de associatie van een blikseminslag met een ontlading van woede, of omgekeerd – is nog altijd dezelfde; de bliksemafleider is alleen maar een moderne uitbreiding van de toepassingsmogelijkheden.
We zijn het dus nog altijd niet verleerd. Het verschil mag dan zijn dat we nu weten dat het ‘maar een metafoor’ is, het zou onverstandig zijn de kracht en de invloed van metaforen op ons denken te onderschatten. De rationaliteit waarop we ons graag laten voorstaan, kent haar beperkingen.

Het mythologisch denken is dus metaforisch en analogisch: het zoekt naar de passende beelden die een onmiddellijke, emotionele overtuigingskracht bezitten. Hun effectiviteit is van psychische aard. Technisch denken daarentegen is causaal en logisch: het zoekt naar functies en relaties in de materiële wereld, en probeert die te gebruiken. De effectiviteit daarvan is van materiële, praktische aard. En toch – in de praktijk van het leven blijkt het uiterst lastig om ze uit elkaar te houden.

2. Betekenis en functie

Dat werktuiggebruik het belangrijkste kenmerk zou zijn dat de mens van de dieren onderscheidt is een stelling die intussen allang verlaten is. Een documentaire over een in het wild levende groep chimpansees leerde mij onlangs dat bij deze groep niet minder dan negentien verschillende vormen van werktuiggebruik werden onderscheiden. Stokken, stenen en bladeren worden op een ingenieuze wijze gebruikt als werktuigen. En er zijn meer diersoorten die dat kunnen (kraaien bijvoorbeeld).
Het zelf vervaardigen van werktuigen is al een flinke stap verder. Maar dan nog is het de vraag of dat nu de beslissende stap is geweest waarmee de mens zich van andere dieren begon te onderscheiden. Het is mogelijk, en zelfs waarschijnlijk, dat de vuurbeheersing een belangrijke rol heeft gespeeld bij het ontstaan van de menselijke cultuur. In elk geval is de mens het enige dier dat geleerd heeft, er gebruik van te maken. Hij leerde niet alleen om het brandend te houden en het te transporteren maar uiteindelijk ook om het zelf te ontsteken. De meeste archeologen zijn het er over eens, schrijft Goudsblom in Vuur en beschaving, dat homo erectus tenminste al vierhonderdduizend jaar geleden vuur gebruikte. En dat is dus lang voordat de homo sapiens verscheen.
Over die oertijd, waarin onze verre voorouders rechtop gingen lopen en de allereerste vaardigheden verwierven die hen uiteindelijk tot mensen zouden maken is nog steeds nauwelijks iets met zekerheid bekend. Maar als je mag aannemen dat vuurbeheersing inderdaad een van de eerste stappen is geweest, dan is het heel goed mogelijk dat die domesticatie van het vuur zich afspeelde in een fase waarin er zelfs nog geen sprake was van een gearticuleerde taal. In dat geval zou de techniek – want het manipuleren met een gevaarlijk element als vuur mag wel ‘techniek’ heten – dus met recht kunnen gelden als het fundament van de menselijke beschaving.

Maar het is de vraag of het ontstaan van de taal en de eerste primitieve vormen van techniek wel los van elkaar beschouwd kunnen worden. Zeker is dat het ontstaan van complexe taalstructuren een moeizaam bevochten en unieke prestatie van de menselijke soort is geweest, en waarschijnlijk veel meer tijd heeft gevergd dan de eerste technische prestaties. En zeker is ook dat zonder die taal de verdere technische evolutie ondenkbaar zou zijn geweest.
In Technics and Human Development, het eerste deel van The myth of the machine, zet Lewis Mumford zich af tegen de overschatting van het aandeel van de techniek in het ontstaan van de eerste menselijke beschaving. Met name tegen de overschatting van rol van werktuigen – hij beschouwt dat als een typische (en onterechte) projectie van de moderne mens. Er zijn volgens hem veel meer andere, en belangrijker factoren geweest die de ontwikkeling van dier tot ‘mens’ hebben bepaald. Uitgaande van de plotselinge, snelle toename van het hersenvolume bij de hominiden die onze voorouders waren, veronderstelt hij dat bijvoorbeeld dromen een bijzondere rol gespeeld hebben. Hij ziet ze als de mogelijke kiem van een versnelde ontwikkeling – een ‘overflow’ van neurale energie, die ertoe leidde dat deze hominiden in een wankel evenwicht tussen interne en externe stimuli gedwongen werden tot het ontwikkelen van symbolische systemen om zich staande te houden. Voordat ze deze extra breincapaciteit konden benutten, moesten ze die eerst de baas zien te worden. En dat lukte pas door de ‘uitvinding’ van de taal.
Daarbij zouden dan rituelen een cruciale rol hebben gespeeld: de collectief uitgeleefde voorkeur voor op zichzelf betekenisloze repetitieve handelingen zou, in de vorm van primitieve dansen, een eerste besef van ‘betekenis’ hebben gecreëerd. Waardoor ook het domein van het ‘sacrale’ zou zijn ontstaan – en de oervormen van religie.

Hoe het precies gegaan is, zullen we waarschijnlijk nooit weten. Maar wie zich, voor zover mogelijk, probeert in te leven in de precaire omstandigheden van die ‘oermensen’ zal al snel beseffen dat technische intelligentie alleen geen afdoende verklaring kan zijn voor het uiteindelijke succes van de soort. Onze primitieve voorouders hebben minstens evenveel te stellen gehad met zichzelf – het leren beheersen van hun impulsen en hun emoties – als met de uitdagingen van de buitenwereld. En als het ze gelukt is deze gevaren op hun eigen manier te overwinnen, is dat waarschijnlijk evengoed te danken aan de ontwikkeling van de taal als aan  hun technische (d.w.z. motorische en manipulatieve) verworvenheden.
Met de taal, zou je kunnen zeggen, heeft de mens zich een instrument geschapen om zijn innerlijke impulsen de baas te worden en af te stemmen op de eisen die zijn omgeving aan hem stelde. Zo geformuleerd zou je ook de taal als een soort ‘techniek’ kunnen opvatten. Maar het grote verschil met de techniek in strikte zin is dat ze onwillekeurig ontstond en dus eerder iets is dat ons is overkomen dan dat we haar hebben uitgevonden. Het symbolische klanksysteem van de taal beantwoordde aan heel andere eisen en ‘wetten’ dan die van de buitenwereld. Simpel gezegd: deze symbolische ‘techniek’ is waarschijnlijk een antwoord op de innerlijke wereld van driften en emoties, terwijl de eigenlijke techniek een antwoord is op de buitenwereld, de fenomenale wereld van de dingen.

Maar dergelijke onderscheidingen bestonden niet voor de oermensen. Omdat hun begrip van de dingen bepaald (en beperkt) werd door de mogelijkheden om ze te benoemen, moesten techniek en mythologie aanvankelijk wel onontwarbaar verweven zijn. Zo was bijvoorbeeld het maken van vuur door middel van een vuurboor omgeven met magische rituelen en doordrenkt van seksuele symboliek. De verschillende onderdelen van het werktuig (in essentie een stokje dat snel werd rondgedraaid in een houten holte) werden met manlijke en vrouwelijke geslachtsorganen geassocieerd en de handeling zelf met de geslachtsdaad.
Die seksualisering van het vuurmaken is oeroud, en beschreven door Gaston Bachelard in La psychanalyse du feu. Het is een mooi voorbeeld van hoe technische procedures en mythologische voorstellingen in elkaar grepen. En zo is ook rond de metallurgie (het smelten en smeden van metalen met behulp van vuur) een heel complex van mythologische voorstellingen ontwikkeld – eenvoudig omdat de in de praktijk ontwikkelde methodes ver vooruit liepen op de theorieën die hun effectiviteit konden verklaren.
Het magisch en analogisch (of metaforisch) denken van de verbeelding moest het eerste kader scheppen om de verschijnselen te ‘verklaren’. En ‘verklaren’ was dus in eerste instantie niets anders dan: betekenis geven. De mythologie die ontstond uit de taal is een eerste poging tot ordening en interpretatie van ervaringen, en veel archaïsche vormen van techniek ontstonden misschien niet eens zozeer uit praktische overwegingen als wel uit magische rituelen. Zo was de ploeg bijvoorbeeld aanvankelijk een ritueel instrument, waarmee de aarde (de Grote Moeder) op rituele wijze werd geopend, en werd hij pas later een praktisch werktuig. En het is niet onwaarschijnlijk dat ook het wiel eerst een symbolische functie had, voordat de praktische toepassingsmogelijkheden ervan werden ontdekt en benut.

Zodra de taal voldoende ontwikkeld was om uitdrukking te geven aan ervaringen en gedachten, ontstond er zoiets als mythologie. Een wereld van betekenissen waarin door middel van associatie, intuïtie en een primitieve vorm van causaal redeneren een beeld werd gevormd van ‘hoe de wereld in elkaar zat’ en hoe ze zo geworden was.
En of die mythologie nu geïnterpreteerd moet worden als een ‘ziekte van de taal’, of juist als een eerste bloei ervan – een feit is dat ze minstens zo belangrijk is geweest voor de ontwikkeling van de menselijke soort als de praktische intelligentie die zich schoolde aan de omgang met de wereld van planten, dieren en dingen. Die twee zaken – betekenis geven aan de dingen, en er gebruik van maken – waren in het leven van alledag natuurlijk niet gescheiden: ze gingen hand in hand. Het vuur was een ontzagwekkend verschijnsel dat zowel positieve als negatieve gevoelens kon opwekken, en dat dus ook corresponderende betekenissen kreeg, maar tegelijkertijd leerde men de eigenschappen ervan ook kennen, gebruiken, en beheersen. Het ene vond zijn neerslag in mythologie, het andere in techniek. Maar dat waren nog geen gescheiden dingen: elk technisch handelen was nog ingebed in mythische concepties.

In die oeroude verhalen, die ons – voor zover ze zijn overgeleverd – bizar en fantastisch voorkomen, schiep de mens zich een eigen wereldbeeld. En hoezeer de wereld sindsdien ook veranderd is, hoezeer we inmiddels ook geleerd hebben onderscheid te maken tussen verhalen, speculaties en empirisch getoetste kennis, de wereld waarin we leven is nog steeds in de eerste plaats onze wereld. Dat wil zeggen: een wereld van betekenissen.
Maar inmiddels hebben we binnen die wereld ook een andere wereld gecreëerd: een wereld waarin ‘betekenis’ systematisch vervangen is door ‘functie’, en waarin niet wat wij denken de hoofdrol speelt, maar wat we doen en maken. Dat is de wereld van de techniek en de actie. De wereld die we scheppen door middel van onze praktische intelligentie, die uitsluitend geïnteresseerd is in het oplossen van praktische problemen.
Mythologie en technologie zijn, kortom, intussen twee heel verschillende manieren geworden om de wereld te interpreteren en ermee om te gaan. Ik vat ze hier op als de twee drijvende krachten die de ontwikkeling van de menselijke cultuur en beschaving hebben bepaald en vorm gegeven. En dat doen ze tot op de dag van vandaag – de mythologie evengoed als de technologie. Want anders dan we in het Westen een paar eeuwen hebben gedacht, is mythologie niet iets dat we definitief achter ons hebben gelaten. Dat is een geweldige onderschatting van het fenomeen: mythologie is allesbehalve een primitief verschijnsel.
Dat misverstand is ontstaan doordat aanvankelijk alleen het soort bizarre en irrationele verhalen dat we uit de oudheid kenden, en dat we later opnieuw tegenkwamen in zogeheten ‘primitieve culturen’, mythen genoemd werden (naar het Griekse woord mythos, dat simpelweg ‘verhaal’ betekent). Ze werden beschouwd als uitingen van een primitieve, irrationele en barbaarse geest. En aangezien we zelf inmiddels ‘verlichte’, rationeel denkende mensen waren geworden, meende men deze mythen als een inmiddels overwonnen ‘primitieve’ fase in de ontwikkeling van de menselijke beschaving te kunnen interpreteren.
Maar zo simpel is het niet. In feite bleek deze opvatting gebaseerd op een verkeerde, naïeve inschatting van onze eigen positie en een onderschatting van onze eigen irrationele drijfveren. Het verhaal van de hoogontwikkelde, rationele westerse mens tegenover de laag ontwikkelde, ‘primitieve’ irrationele mens van niet-westerse culturen is zelf een soort mythe. Want al hebben we geleerd om natuurverschijnselen op een andere, effectievere manier te verklaren en ze te manipuleren en te beheersen – dat wil helemaal niet zeggen dat we ons ontworsteld hebben aan de behoefte aan betekenis, die de drijvende kracht achter alle mythologie is. Ook in ons leven nog steeds dezelfde angsten, verlangens en driften die de archaïsche mens kende, en ook wij zijn daarom nog steeds geneigd tot mythologiseren: in de manier waarop wij de dingen betekenis geven zijn wijzelf evengoed overgeleverd aan talloze ongefundeerde voorstellingen die in elke cultuur ontstaan en waarmee we ons behelpen om onze eigen positie te begrijpen en te bepalen.

In wezen is mythologie niets anders dan beeldvorming: een eerste levensbehoefte die zich op alle terreinen van het leven manifesteert. In de religie evengoed als in de sport, in de reclame en in de commercie, in de politiek en de kunst, en zelfs in de wetenschap. En in onze tijd, met zijn massacommunicatiemiddelen, speelt ze een bedrieglijker, en misschien ook belangrijker rol dan ooit tevoren.
In de nieuwsvoorziening bijvoorbeeld, die geacht wordt op feiten gebaseerd te zijn, blijkt regelmatig dat ook filmbeelden en foto’s zo gemanipuleerd worden dat ze meer beantwoorden aan de opvattingen en bedoelingen van de makers dan dat ze een betrouwbaar beeld geven van de werkelijkheid. Het beruchte beeld van uitgemergelde mannen achter prikkeldraad in Joegoslavië, dat een golf van protest door de wereld deed gaan, was alleen daarom zo effectief, omdat het de ergste spookbeelden uit de Tweede Wereldoorlog weer in herinnering riep. Concentratiekampen! Vanaf dat moment vond iedereen plotseling dat er ingegrepen moest worden in de Balkanoorlog. Inmiddels weten we dat die beelden iets suggereerden dat daar niet was – maar de suggestie alleen was voldoende om de beeldvorming te bepalen.
Alles wat voldoet aan onze behoefte aan betekenis is bruikbaar als bouwstof voor onze mythologie. Het is een continu proces van verbeelding en beeldvorming, dat ons in staat stelt de wereld te interpreteren. Dat proces voltrekt zich in de verhalen die we elkaar vertellen, maar evengoed in de verslaggeving van het nieuws en in de theorievorming in wetenschap en filosofie. Het is de manier waarop we ons een voorstelling maken van hoe de wereld in elkaar zit en wat dat voor ons betekent. Zo maken we de wereld tot ‘onze’ wereld. En daarbij gaat het minder om de feiten dan om de ordening van de feiten tot een betekenisvol patroon.

Vooral dat laatste is van belang, want daarin onderscheidt mythologie zich fundamenteel van die andere kracht die ons leven vormgeeft: de techniek. Techniek onttrekt zich aan de suggestieve dwang van de betekenis. De techniek is het resultaat van zuiver praktische interesses en experimenten: daar gaat het om de vraag hoe je op de handigste en snelste manier je doel kunt bereiken. En dat kan alleen als je gehoorzaamt aan de eisen die de materie stelt. In de techniek speelt betekenis geen rol: daar is alles functie. En het succes van de technologie in de moderne samenleving is te danken aan haar loskoppeling van de mythologie (d.w.z.: van de vraag naar de betekenis). Pas sinds ze zich bevrijd heeft uit het mythologisch denken en een eigen, volledig autonome taal heeft ontwikkeld – de exacte taal van het getal en de wiskundige formule – heeft ze de vlucht kunnen nemen die onze wereld in een paar eeuwen tijd volledig heeft veranderd.
Maar deze ontkoppeling is niet volledig: ze geldt vooral voor het maken, voor het ontwerpen en ontwikkelen van nieuwe techniek, maar niet voor het gebruik ervan. In het dagelijks leven gebruiken we allerlei apparaten zonder dat we een idee hebben hoe ze eigenlijk in elkaar zitten of werken. En terwijl de techniek zelf dus volkomen rationeel is, functioneert ze binnen een wereld die nog volkomen in de ban kan zijn van mythologische denkbeelden.
Wie dus de conclusie zou willen trekken dat in de techniek de superioriteit van het technologisch boven het mythologisch denken is bewezen, en dat we zo snel mogelijk met dat laatste moeten zien af te rekenen, die rekent buiten de waard. Dat wil zeggen: buiten zichzelf. Want geen mens is in staat, zijn behoefte aan betekenis te negeren. Zelfs de meest exact denkende ingenieur of wiskundige is een mens met emoties en voorstellingen en dromen – die zich niet tot exacte formules laten reduceren.
Sterker nog: juist omdat we geneigd zijn tot mythologiseren, zou die mythologie wel eens een heel geschikt middel kunnen zijn om na te denken over de rol die de technologie in ons leven speelt. In elk geval kan mythologie, in de breedste zin van het woord, ons een beeld geven van hoe er in de loop der eeuwen over techniek is gedacht, van de plaats die ze innam in het leven en de betekenis die eraan gehecht werd, en wordt.

Je kunt om te beginnen in oude, overgeleverde mythen zoeken naar motieven, beelden en gebeurtenissen die iets te maken hebben met techniek. Welke rol speelt bijvoorbeeld het vervaardigen van artefacten (werktuigen, wapens, gebruiksvoorwerpen) in die verhalen? Welke waarde wordt eraan gehecht en binnen welk thematisch kader gebeurt dat?
Maar het wordt natuurlijk pas echt interessant wanneer we dat mythologisch proces van betekenisgeving kunnen traceren tot in onze eigen tijd, en dan moeten we zoeken naar verhalen, voorstellingen of denkbeelden die een zo grote verbreiding en invloed hebben gekregen dat ze een soort mythologische status hebben bereikt: dat kun je bijvoorbeeld zeggen van het Faustverhaal, dat sinds de zestiende eeuw voortdurend opnieuw is bewerkt. Hetzelfde geldt voor het verhaal over het monster van Frankenstein – dat vooral via de film tot een moderne mythe is geworden. En sinds het eind van de 19de eeuw is zelfs een heel nieuwe tak van literatuur ontstaan die zich bezighoudt met de verbeelding van technologische mogelijkheden: de science fiction – die zich inmiddels nog nadrukkelijker manifesteert in de film. (En in het verlengde daarvan: in allerlei video- en computerspelletjes).
Maar we hoeven ons niet tot verhalen te beperken. De mythologie van onze denkbeelden over techniek is ook terug te vinden in bijvoorbeeld nieuws en reclame. In beide vormen van publiciteit speelt beeldvorming een hoofdrol. En in de systematische verheerlijking van producten schuilt een krachtige mythologie die nauw samenhangt met ideeën over technologie en vooruitgang. Want hoe rationeel en functioneel de moderne techniek ook is, zolang ze functioneert in een menselijke wereld, kan ze zich niet onttrekken aan de irrationele mythologieën die eromheen geweven worden. Ook techniek moet immers gerechtvaardigd en verdedigd worden – nu misschien meer dan ooit – en daarbij zijn allerlei oude vooronderstellingen en opvattingen in het geding.

(Dit stuk werd geschreven omstreeks de millenniumwisseling en bevat allerlei elementen en passages die later terechtgekomen zijn in de essayreeks “Mythen, machines en metamorfosen” in De droom van de kennis (2003))

Over de auteur

Piet Meeuse