A Tekstgrootte verkleinen. A Tekstgrootte herstellen. A Tekstgrootte vergroten.

Waargebeurd is geen verhaal

W

 

Hoe langer ik nadenk ver de vraag wat een verhaal eigenlijk is, hoe meer ik tot de conclusie kom dat het iets ongrijpbaars is – geen vorm, maar eerder een vormprincipe. Zoiets als de entelecheia van Aristoteles: een actief principe dat het mogelijke vormgeeft en verwerkelijkt in de stof (vergelijk de ziel als entelechie van het lichaam).  Je kunt op allerlei manieren een verhaal vertellen: in de vorm van een tekst (hetzij een lied, een gedicht of een stuk proza), maar ook in een strip, een toneelstuk of een film, en steeds is het verhaal datgene wat ‘erin zit’, zonder samen te vallen met de materiële vorm.

Het is de ideële structuur ervan. Het zijn niet de woorden of de beelden, maar de configuraties die ze vormen: het geheel dat meer is dan de som der delen, en dat uiteindelijk de betekenis bepaalt van alle (onder)delen.  Een verhaal is dus (in eerste en in laatste instantie) iets ideëels: niet gebonden aan enige materiële vorm. Het is de samenhang van alle betekeniselementen die zoiets als ‘een wereld’ schept: een imaginaire wereld die het mogelijk maakt erover na te denken alsof het de echte is.

Als zodanig ligt het aan de basis van ons denken en van ons begrip van de wereld. Het is als het ware de ‘truc’ waarmee we de wereld overzichtelijk en inzichtelijk maken. Een verhaal kan dus nooit ‘waar gebeurd’ zijn, want wat er werkelijk gebeurt, heeft niet de verhaalvorm. Een verhaal is wat wij ervan maken, en dat gebeurt altijd post factum. Achteraf. Ook als we het van a tot z verzinnen, doen we alsof het (echt) gebeurd is – want dat is nu eenmaal het axioma waarop ieder verhaal gebaseerd is: een verhaal beschrijft een gebeuren.

Maar het verhaal is zelf ook een gebeuren. En dat is niet hetzelfde.   Als de beschrijving van een gebeuren gebeurt het opnieuw, maar nu als beleving, als innerlijke ervaring van degene die het hoort, ziet, of leest. En alleen dit innerlijke gebeuren is waar, in de zin van werkelijk. Daarom doet het er niet toe of het gaat om een sprookje of een op historische feiten gebaseerd verhaal: het verhaal is altijd een fictie, en de waarheid ervan schuilt in het effect dat het heeft als gebeuren – nooit in de feitelijke juistheid van de beschrijving.

Als het relaas van iemand die vreselijke dingen heeft meegemaakt een diepe indruk maakt, dan is dat dus niet omdat het ‘echt gebeurd’ is, maar omdat wij het ons voorstellen als echt-gebeurd. Het zijn niet de feiten zelf, het is de vertelling ervan die ons aangrijpt. En als achteraf zou blijken dat de verteller het allemaal verzonnen heeft – zoals dat af en toe voorkomt – dan maakt dat voor de indruk die het verhaal op ons maakte geen verschil: het effect was onmiskenbaar echt. Ook al voelen we ons dan bedrogen, dat het aangrijpend was toen we het hoorden of lazen, kunnen we niet ontkennen. We kunnen de verteller kwalijk nemen dat hij het ons als ‘waargebeurd’ presenteerde, maar dat zijn verhaal zoveel indruk maakte – dat blijft toch de verdienste van het verhaal.

Maar zo redeneren we meestal niet. We vinden hem een oplichter, een leugenaar die misbruik gemaakt heeft van onze goedgelovigheid. Toch zouden we ook vraagtekens moeten zetten bij ons eigen geloof in de ‘waargebeurdheid’ van verhalen. Hoe klemmender het beroep dat gedaan wordt op die ‘waarheid’, des te meer is scepsis op z’n plaats.

Des te verdienstelijker, zou je anderzijds ook kunnen concluderen, is de verteller die ons weet te raken met een verhaal waarvan we op voorhand weten dat het niet echt gebeurd is. Maar de waardering voor fictie legt het voor de meeste mensen toch af tegen de waardering voor zogenaamd ‘waargebeurde’ verhalen.

Dat komt doordat verhalen in het dagelijks leven vaak een belangrijke rol spelen als bron van informatie. Dagelijks hoor je allerlei verhalen van mensen om je heen: collega’s, vrienden, familieleden en kennissen houden je op de hoogte van wat ze meemaken of gehoord hebben. En dan is het natuurlijk van groot belang hoe betrouwbaar die informatie is. Die informatie kun je nodig hebben om je standpunt in een kwestie te bepalen, of om beslissingen te nemen. Als ik een verhaal hoor over iemand die achter mijn rug om dingen over mij vertelt die mij niet bevallen, zal dat consequenties hebben voor hoe ik over die persoon denk, en voor mijn houding tegenover hem of haar. (Tenzij ik degene die het mij vertelt niet vertrouw, natuurlijk.)

Dat is waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom zoveel mensen vooral, of zelfs uitsluitend, geïnteresseerd zijn in ‘waargebeurde’ verhalen. Zij gaan ervan uit dat verhalen dienen om ons iets te vertellen over de werkelijke wereld en zijn dus geneigd om ze te beoordelen op hun informatieve waarde. Zulke mensen kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat je plezier zou kunnen hebben, of zelfs ontroerd zou kunnen worden door verzonnen verhalen. (Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom men zelfs bij fictie toch altijd zo nieuwsgierig is naar biografische achtergronden van de auteurs. ‘Waarom verzint iemand zoiets? Daar moet toch iets achter zitten…’)

Het is dus van belang een onderscheid te maken tussen die informele verhalen uit het dagelijks leven en de formele verhalen, die een artistieke vorm hebben gekregen. Als ik iemand een verhaal hoor vertellen aan de bar in een café, zal ik mij eerder afvragen of het wel waar is wat hij vertelt dan wanneer ik een boek lees. Hoe betrouwbaar is die verteller? Overdrijft hij niet? Is er geen belangrijke informatie weg gelaten? Ik probeer kortom in te schatten hoe geloofwaardig zo’n verhaal is.

Maar verhalen hebben niet alleen een informatieve functie. Ze kunnen ook gebruikt worden als een middel om je op een of andere manier te beïnvloeden. Om begrip te kweken voor iets of iemand, of je te waarschuwen voor bepaalde gevaren, of om je te vermaken of te ontroeren. Et cetera.  Als ik een fictief verhaal in een boek lees, of een speelfilm bekijk, vraag ik me niet af hoe betrouwbaar het is: dan neem ik het verhaal zoals het verteld wordt, omdat het mij om het verhaal zèlf gaat, en niet om de feitelijke, historische waarheid die er eventueel achter zit.

Toch bestaat er geen principieel verschil tussen die verhalen: in beide gevallen is de informatieve waarde onvermijdelijk ondergeschikt aan de vorm die de verteller eraan geeft, en die de betekenis van zijn verhaal bepaalt.

Daarom zou je elk verhaal, dus ook nieuwsverhalen en verhalen die je aan de keukentafel, aan de bar of in een talkshow hoort – alle verhalen die pretenderen informatie te geven over de werkelijkheid – eigenlijk moeten benaderen zoals je een literair verhaal leest. Dus als fictie. Je zou alert moeten zijn op de vorm waarin het verteld wordt: de woordkeus, de toon waarop het wordt gebracht, vanuit welk perspectief het wordt verteld, wat wordt benadrukt en wat verwaarloosd, et cetera. Want al die dingen zeggen iets over de intentie van de verteller, en dat zegt weer iets over de betekenis van wat er verteld wordt.

Maar als het ons om de informatie te doen is, lezen of luisteren we meestal niet op die manier naar verhalen. Hoe nieuwsgieriger we zijn naar die informatie, hoe minder we letten op de vorm. Dat is de reden waarom we zo manipuleerbaar zijn en ons zo makkelijk van alles wijs laten maken.

Het ware verhaal over het vertellen is dus dat elk verhaal in de eerste plaats het product is van een verteller, die daarmee vormgeeft aan wat hij of zij belangrijk genoeg vindt om te vertellen. Met andere woorden: elk verhaal gaat altijd ook, en zelfs in de eerste plaats, over de verteller zelf. Over hoe hij/zij ervaren heeft wat hij vertelt. Of over hoe hij/zij wil of hoopt dat wij erop reageren.

Maar dat gaat schuil in de dingen waarover verteld wordt. Dat is het bedrieglijke van alle verhalen: hun waarheid schuilt niet in de informatie, maar in de manier waarop die wordt gepresenteerd – die vervolgens bepaalt welke waarde aan de informatie kan worden gehecht. ‘Vertel me je verhaal en ik zal je zeggen wie je bent.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Over de auteur

Piet Meeuse