Toen de dakdekker Tinus Wisselink zijn tweeënzestigste dak dekte – het was het leiendak van een eeuwenoude kerk – en even zijn rug rechtte in de dakgoot, overkwam hem datgene waarvoor zijn vrouw altijd bang was geweest. Door een verraderlijke windvlaag verloor hij zijn evenwicht en tuimelde ruggelings de diepte in.
Tot zover de feiten.
Die dingen gebeuren.
Daar hebben we ons bij neer te leggen.
Maar in die twee en een halve seconde die Tinus nog te leven had, gebeurde er iets merkwaardigs. En omdat hij het zelf niet meer na kan vertellen, zullen we hier de onmogelijke mogelijkheden van de verbeelding aan moeten spreken – onmogelijk, maar noodzakelijk als we de betekenis van die luttele seconden willen peilen.
Theoretische fysici die speculeren over de wonderen van ruimte en tijd, doen dat meestal gezeten in een bureaustoel, liefst in de luiste stand, met de benen op het bureau en een blocnootje op schoot. Op dat blocnootje verschijnen dan ingewikkelde formules en berekeningen waar een leek geen touw aan vast kan knopen, en waarvan ze zelf ter nauwernood begrijpen hoe dat alles vertaald zou moeten worden in iets wat past in de wereld waarin luie lichamen in bureaustoelen hangen. Maar Tinus, die over deze dingen waarschijnlijk nog nooit had nagedacht, spreidde zijn armen en had niet meer dan twee seconden nodig om het hele raadsel op te lossen.
De schrik die als een steekvlam door zijn hele lichaam sloeg, had geen berekeningen nodig om in die eerste kwartseconde blindelings de weg te vinden naar de achterdeur. (Bij gebrek aan kennis van de neurologische gang van zaken in dergelijke finale seconden moeten we noodgedwongen naar beelden grijpen. En geloof het of niet – maar als het leven van een mens met zo’n definitieve klap dichtvalt, als een deur die in je gezicht wordt dichtgeslagen, dan vlucht het bewustzijn naar die ‘achterdeur’, waarvan wij bij leven en welzijn het bestaan niet eens vermoeden, en het weet die met een onverklaarbare snelheid en trefzekerheid te vinden.)
Tinus deed die achterdeur open en bezocht in de tijd die hem nog restte – ruim twee seconden – alle momenten in zijn leven die hem op de een of andere manier ‘onaf’ of hopeloos mislukt hadden geleken. (Hier moeten we even stilstaan bij het populaire idee dat iemand in de laatste seconden voor zijn dood zijn hele leven ‘als in een flits’ of ‘als een film’ aan zich voorbij zou zien trekken. Dat is een erg slordige weergave van de werkelijkheid, want het is geen ‘film’ en het is ook geen ‘flits’. Het is eenvoudig het leven zelf, dat volloopt met de tijd die het tekort is gekomen. Want buiten het leven bestaat er niet zoiets als ‘tijd’, en elk leven – hoe abrupt ook afgebroken – moet daarom in zichzelf volmaakt zijn. Niemand sterft zonder op enig moment dit wonder van de vervolmaking te ondergaan, waarin alle tegenstrijdigheden, alle ongerijmdheden en alle ongelukkige en onverteerbare momenten uit een leven naadloos in elkaar blijken te passen. Er ontstaat dan een patroon dat zo’n schitterend geheel vormt, zo volstrekt bevredigend en af, dat je niet anders kunt dan het bewonderen en loslaten.
Een druppel valt pas, als hij vol is. Zo zou je het onbegrijpelijke geheim van de tijd kunnen samenvatten. Opeens zag Tinus in waarom het goed was dat hij dakdekker was geworden, en niet had doorgeleerd zoals zijn vader wilde. Niet alleen had hij zo zijn vrouw leren kennen (het derde dak was dat van zijn aanstaande schoonvader geweest), maar ook zijn vriend Nico, die bij de concurrent werkte en wiens dood op zijn achtentwintigste een verpletterende indruk op hem gemaakt had. Zijn affaire met Nico’s vriendin, waardoor die aan de drank was geraakt, en het motorongeluk – alles had met alles te maken, maar op een totaal andere manier dan hij had gedacht. Plotseling begreep hij wat hij voor zijn vader had betekend, en voor zijn moeder, en hoe al zijn vergissingen en misstappen nodig waren geweest voor het geluk van anderen, hoe het zogenaamd ‘goede’ het zogenaamd ‘kwade’ veroorzaakte, en omgekeerd. Voor Tinus’ geestesoog voltrok zich het wonder waarin al die ongelukkige en moeilijke momenten uit zijn leven de onmisbare knooppunten bleken te zijn van waaruit andere levens werden bestuurd, die op hun beurt het zijne maakten tot wat het moest worden: een volmaakt vlechtwerk van onvermijdelijke moeilijkheden, onvergeeflijke blunders en geluksmomenten, waarin alle toevalligheden nu het geheime plan openbaarden dat zijn leven verbond met alle andere levens, en het was goed zoals het was, het had niet beter kunnen zijn.
In die twee en een halve seconde werd het leven van Tinus voltooid op een manier die voor ons achterblijvers helaas onmogelijk te begrijpen is, totdat ook wij, ieder op ons eigen moment, in die finale seconden het vollopen van ons eigen leven zullen beleven. Op het moment waarop zijn lichaam tegen de grond sloeg, trok Tinus de achterdeur achter zich dicht en betrad de onvoorstelbare wereld van de volmaaktheid en het geluk.